Management

Security
cyber

Laat ons wat minder cyberen

Laten we het hebben over hygiëne, vaccinatie, quarantaine, voorlichting.

© CC0 Public Domain bykst
30 juli 2018

Het zal niemand ontgaan zijn dat het gebruik van het voorvoegsel ‘cyber’ in de laatste vijf jaar flink is toegenomen. Cybersecurity, cybercrime, cyberwarfare, cyberspace en voor wie gekwalificeerd is: er zijn vacatures voor ‘cyber forecasters’, om maar wat voorbeelden te noemen. En daar zit dus een probleem: de term begint zichzelf in de weg te zitten.

Ooit, lang geleden, bedacht Norbert Wiener de term cybernetica voor systemen die door middel van terugkoppeling aan vormen van zelfregeling doen. Wieners verdienste was dat hij het op informatie betrok, tot dan waren zelfregulateurs toch vooral het domein van werktuigbouwkundigen. Besturingssystemen (en dan niet die van computers) van organisaties, combinaties van mensen en machines dus eigenlijk. Via wat mooie omwegen in de sciencefiction kregen we de cyborg, de samensmelting van mens en machine, cyberpunk en cyberspace. De laatste verdrong de information superhighway van Al Gore in het taalgebruik en weer later werd internet een meer populaire term.

Babbelsessies

Oh, en niet te vergeten cyberseks. Er is een periode geweest dat ‘cyber’ een verkorting was voor erotische babbelsessies in de al dan niet smoezelige chatrooms van het internet van de vroege jaren negentig. Dus wie begint te gniffelen bij het horen van die term was minstens een adolescent in die tijd, ook een manier om mensen te dateren. Wanna cyber?

Dreigend voorvoegsel

Dat waren andere tijden, terug naar nu. Cyber is nu vooral een dreigend voorvoegsel dat een onbestemd, maar vagelijk hightech, gevaar impliceert. Maar wel dreigend genoeg dat er in militaire termen over gesproken moet worden, of op zijn minst een kwestie van openbare orde. Dat is de ene kant van het probleem.

Zonder vaktermen komen we niet ver

Een andere kant van het probleem is de vaagheid. Zonder vaktermen komen we niet ver. Van anamnese via keilbout tot zenderprofiel, iedere beroepsgroep en branche heeft een eigen jargon. Wat vaktermen onderscheidt van gezwatel is dat ze een precisie aanbrengen die de context vereist. Zo niet bij ‘cyber’. Een cyberaanval is een kreet die vooral meer verhult dan hij communiceert. Want een distributed-denial-of-service, georganiseerd door wat verveelde pubers kan daaronder vallen. Maar ook een spearphishing-aanval door de georganiseerde misdaad, die een cruciale functionaris ertoe verleidt om een verkeerd mail-attachment te openen. Of de inzet van een zero-day exploit door een minder bevriende buitenlandse mogendheid. Dat maakt het lastig om grip te krijgen op de materie, terwijl er brede maatschappelijke implicaties zijn(?). Lastig voor beleidsmakers, lastig voor het publieke debat. Met als mooi voorbeeld dat NPO Nieuwsuur een onzin kletsende mevrouw die vooral veel van cybervoorvoegsel voorziene buzzwords gebruikte en zich als een expert presenteerde.

Iets militairs

Opgeteld leiden de onbestemdheid en de dreiging tot een ontbrekend handelingsperspectief. Het is iets militairs, of toch niet? Het is in ieder geval hightech, dus iets voor de ICT’ers? Wat het is en wat we eraan kunnen doen, verdwijnt uit het zicht. Het wordt dan een onderwerp van anderen, dat we niet begrijpen en waar we niets aan kunnen doen. En het dus ook niet gaan doen. Terwijl het niet alleen over de geweldstaken van de overheid gaat, maar ook over robuustheid van onze infrastructuren, gezondheidszorg en financiële systemen. Eigenlijk over de gezondheid van de samenleving. Ik zou op willen roepen tot meer gebruik van metaforen uit de publieke gezondheid. Hygiëne, vaccinatie, quarantaine, voorlichting, dat werk. Weg met de cyber!

Reactie toevoegen