Innovatie & Strategie

Juridische zaken
cyber

Een te veel ‘gepatchte’ spijkerbroek: strafrecht is níet meer cyberproof

Wikken en wegen over oude wetgeving in cybertijden.

© CC0 Public Domain bykst
22 december 2021

Sommige experts menen dat de ‘antieke’ strafrechtelijke wetgeving cyberproof is. Recentelijk maakte Menno Weij de vergelijking met de Auteurswet: ook die is oud, maar werkt toch nog goed. Wij zijn een andere mening toegedaan - alhoewel wij herkennen wat de Orde van Advocaten heeft opgemerkt over de noodzaak van een volledige herziening, vooral met het oog op de kosten van zo’n herziening. Je kunt je afvragen of je die kosten ooit terugverdient.

Maar de wetgeving van een eeuw geleden is een te verzwakt fundament. Daarmee kunnen we deze vormen van criminaliteit, die zich voordoen in een cyberwereld die toen nog niet bestond, niet bestrijden. In het Wetboek van Strafrecht en in het Wetboek van Strafvordering staan vele artikelen die aan de antieke basis zijn toegevoegd.

Enerzijds zijn die toevoegingen om ‘moderne misdrijven’ als hacken en DDoS-aanvallen überhaupt strafbaar te stellen. (Zo staan in de artikelen 138ab, 350a, 138b, 161sexies, 350c, 350 d sub a, 350a lid 3 en 139d lid 2 van het wetboek van strafrecht allemaal ‘moderne misdrijven’ genoemd. Artikelen die elke ‘cyber-officier van justitie’ moet kennen volgens het Openbaar Ministerie.) Anderzijds zijn die vele artikelen ook toegevoegd om misdrijven te kunnen opsporen met gebruikmaking van de middelen van deze moderne tijd.

Wildgroei in de wet

Natuurlijk, je kunt de wet blijven aanpassen en er addenda aan blijven toevoegen. Maar het wordt er niet overzichtelijker op: in het verleden bestond alleen artikel 126 in het Wetboek van Strafvordering. Tegenwoordig staan er tussen artikel 126 WvSv en artikel 127 WvSv nog zo’n 90 (!) andere artikelen, variërend van artikel 126a Sv tot artikel 126zsa tot artikel 126jj. Dit zijn allemaal latere aanvullingen en veel van deze artikelen hebben juist betrekking op digitale opsporing.

Deze nummering zoekt niet lekker op en de logica is geheel verdwenen. Inderdaad een onsamenhangend breiwerk, zoals in het aangehaalde artikel van de Volkskrant staat. Onder deze moderne opsporingsbevoegdheden valt bijvoorbeeld ook het onderzoek in een geautomatiseerd werk bij verdenkingen van terrorisme. Wie daar een eeuw geleden mee was aangekomen, was voor gek verklaard.

Wist u dat de officier van justitie bij dergelijke verdenkingen van terrorisme mag bevelen dat een opsporingsambtenaar binnendringt in een geautomatiseerd werk om de gegevens die daar in staan ontoegankelijk te maken? Oké, dit is mogelijk een exotisch voorbeeld. Maar er zijn nog vele andere voorbeelden. Het aftappen en decrypten van e-mails komt al een stuk dichterbij. Dat gebeurt dagelijks. Om dit alles mogelijk te maken is de wet meerdere malen aangepast.

Audio/video helemaal uitschrijven

En wat dacht u van het volgende: tot op heden is het in beginsel nodig om audiovisueel bewijsmateriaal helemaal uit te schrijven. Dit kost de opsporingsdiensten gruwelijk veel tijd. Het nieuwe wetboek regelt dat dat niet meer hoeft. Dus geen pagina’s vol meer met beschrijvingen van beelden die de rechter, als ze belangrijk zijn, toch vaak moet zien.

Er zijn zeker argumenten voor de stelling dat de invoering van een nieuw Wetboek van Strafvordering meer kost dan dat het oplevert. En dat we nog wel even doorkunnen met de huidige, ‘antieke’ wetgeving. Echter, juist cybercrime en de effectieve bestrijding van cybercrime zijn in onze ogen reden om het wetboek van strafvordering wél te vervangen. Je kunt allerlei ‘patches’ op een versleten spijkerbroek blijven aanbrengen, maar op een gegeven moment is het toch gewoon tijd voor een nieuwe broek. En ja, het zal even duren voordat die nieuwe broek lekker zit.

Reactie toevoegen