Informatica komt niet met strik om de haven van Rotterdam binnen

9 maart 2006
Informatica is de onzichtbare innovatiemotor van onze kenniseconomie, waar we jaar in jaar uit steeds afhankelijker van worden. Helaas gaan we in Nederland weinig professioneel met informatica om en de vele gremia die de BV Nederland moeten voortstuwen in de vaart der volkeren, zien IT als bijzaak. Na 25 jaar academisch informaticaonderwijs kennen we nog steeds geen officiële en volwaardige bevoegdheid voor de eerstegraads docent informatica aan middelbare scholen. De meeste technische universiteiten behandelen informatica nog steeds niet als een regulier vakgebied. Er zijn geen vakbekwaamheidseisen voor degene die onze computers programmeren. Er bestaat geen certificering van de programmatuur die ons omringt.
Maatschappelijk gezien kosten de uitwassen van ondermaatse informatica onnodig veel. Wereldwijd 290 miljard dollar per jaar aan falende IT-projecten. Nederland was in 1998 al de vierde Europese IT-spender, met geschatte succespercentages van 20 procent, en de rest ver onder de maat (50 procent) of een totale mislukking (30 procent). Outsourcing en offshoring van IT naar landen zoals India is een hot topic. De uurlonen van de software-engineers daar zijn aanzienlijk lager dan hier. Dus hoog-routinematig laag-probleem-oplossend werk vloeit daar voor een gedeelte naartoe. Er is nog een andere beweging gaande in die landen. De offshorelanden hebben er hun zinnen op gezet beter te worden in informatica dan het Westen. In dergelijke landen studeren de beste studenten informatica. Er zijn veel en zeer goede opleidingen. Studenten uit die landen kunnen zich zeker meten met de beste studenten van onze opleidingen.
Wij roepen de Nederlandse samenleving op eens goed na te denken wat ze wil met informatica, de wetenschap die informatietechnologie voortbrengt. Pappen, nathouden en zelfregulering leidt tot verwatering.

Afgelopen jaar heeft de krant vol gestaan met de noodzaak meer bètastudenten op te leiden in Nederland. Geheel haaks op de berichtgeving stonden berichten dat het allemaal wel meeviel met de behoefte aan afgestudeerden in de bètadisciplines. Kern van dat argument was puur economisch: als er meer behoefte aan bèta’s is, zou je dat aan hogere salarissen moeten zien. Met datzelfde argument kun je ook beargumenteren dat er geen tekort is aan blauw op straat, verplegend personeel en wiskundedocenten. Kortom, een onzinverhaal. Als we gewoon kijken naar de vraag, dan bleek dat vorig jaar het grootste percentage personeelsadvertenties om IT’ers ging (20-25 procent van het totaal).
De feitelijke situatie is dat er in ieder geval een niet aflatende behoefte aan informatici is. En dan gaat het niet om klopwerk dat vroeg of laat uitbesteed wordt aan lagelonenlanden. Slechts één procent van de informatici heeft een functie waar geen R&D-component aan vastzit. Studenten opgeleid in de meer klassieke bètadisciplines zoals biologie, natuurkunde en scheikunde, hebben meer moeite om de arbeidsmarkt te betreden. Voorbeeld: een mogelijke determinant van arbeidssucces is de tijdsduur voor het vinden van de eerste baan. Minder dan drie maanden is een succesfactor. Bij onder andere biologie hebben afgestudeerden relatief vaak langer dan zes maanden nodig voor de eerste baan zich aandient. Biologen verdienen ook relatief weinig.
Als je de media moet geloven deint de vraag naar informatici mee op de golven van de economie. Maar zelfs in het dal vinden alle degelijk opgeleide informatici een baan in hun discipline. Uit de WO-monitor (tweejaarlijks onderzoek naar arbeidsmarktsucces van academici) bleek voor VU-informatici die in de slechte tijd (rond 2001) afzwaaiden dat 100 procent een baan had en alle 100 procent op niveau. Niets te merken van conjunctuur. De vele ontslagen zijn ons insziens niets anders dan een kaf-koren-operatie, veroorzaakt door aanstelling van vele niet-informatici in oververhitte tijden. De grote IT-dienstverleners die zich ineens als uitzendbureau bleken te afficheren hadden kennelijk geen echte informatici in dienst. En daarmee is een onjuist beeld voor echte IT-professionals geschapen.
De berichtgeving over de bètaproblematiek zou genuanceerder moeten worden en een duidelijk onderscheid moeten maken tussen de disciplines. De huidige berichtgeving is in ieder geval bezijden de waarheid en kan gevaarlijk misleidend zijn voor de beleidsvormers. Dit pleit ervoor om campagnes als ‘Kies Exact’ opnieuw te bezien. De slogans van de (hopelijk nabije) toekomst moeten zich meer op IT richten: ‘Ben jij in formatica?’

Eerstegraadsdocenten
Met ingang van het schooljaar 1998/1999 kreeg het voortgezet onderwijs voor het eerst de mogelijkheid in de tweede fase het keuzevak informatica aan te bieden. Bij de voorbereiding voor het vak, in 1995, werd er vanuit het vakgebied informatica op aangedrongen om een bevoegdheid tot eerstegraads docent informatica in te stellen en dito lerarenopleidingen voor informaticadocenten op te zetten. Typerend voor het beeld van informatica in Nederland, vond het ministerie van Onderwijs dit toen onnodig. Het ministerie weigerde steevast tot het instellen van een lerarenbevoegdheid informatica. Pas sinds kort lijkt men de weerstand op te geven, een akkoord lijkt op komst. Zekerheid is er echter nog steeds niet, en bij de overheid kan dat betekenen dat het instellen van een lerarenbevoegdheid nog jaren kan duren. Om toch verzekerd te zijn van docenten informatica heeft de minister indertijd bepaald dat een omscholingscursus voldoende moest zijn. De minister bepaalde tevens dat de cursus toegankelijk was voor iedere docent ongeacht de vooropleiding, zodat ook docenten in talen of maatschappijwetenschappen omgeschoold konden worden tot docent informatica. Over ‘serieus nemen’ gesproken.
Informatici aan universiteiten vinden de situatie aan de middelbare scholen onwenselijk. Informaticaonderwijs moet gegeven worden door volwaardig opgeleide docenten. Dat is vast ook motiverender voor scholieren om hier verder in te gaan. De instroom van informaticastudenten is door de jaren heen verhoudingsgewijs altijd heel behoorlijk. Maar wellicht door de ongenuanceerde berichtgeving in de media is dat aandeel landelijk aan het dalen - en dat terwijl de behoefte aan echte IT’ers altijd is gestegen. Verder is informatica slechts een keuzevak op de middelbare school, dat niet eens op alle middelbare scholen wordt gegeven. Dit is voor vervolgopleidingen op de universiteit en het HBO een enorme handicap. Het betekent dat bij informaticaopleidingen zowel rijp als groen instroomt, wat voor beide groepen niet optimaal is, omdat het niveau nogal geschakeerd is. Verplicht informatica in het voortgezet onderwijs door eerstegraadsdocenten zal deze situatie naar onze mening verbeteren: meer instroom en een hoger stabieler instroomniveau.
Op dit moment is er sprake van het invoeren van een nieuw geïntegreerd bètavak. Dit vak zou ook iets aan informaticaonderwijs kunnen bevatten, maar dit lijkt niet aan de orde. In de stuurgroep, opgericht om te bepalen wat dit vak gaat inhouden, blijkt geen informaticus te zitten. Weer een voorbeeld van hoe Nederland informatica, informaticaonderwijs en het belang van IT voor onze samenleving ervaart. Ook na aandringen bleek de minister van Onderwijs daar volstrekt duidelijk over te kunnen zijn. Een informaticus komt er niet in. Met alle respect, dat klinkt niet heel erg opbouwend.

Stiefmoederlijk
Nederland was laat met het invoeren van een academische opleiding in de informatica. Pas in 1981 kwamen zelfstandige opleidingen informatica van de grond. De technische universiteiten zijn er heel verschillend mee omgegaan. In slechts één geval heeft een universiteit zich vol achter het vakgebied geschaard en het een volwaardige status gegeven. In alle andere gevallen weigeren universiteitsbestuurders de informatica ook 25 jaar na oprichting als een volwaardig vakgebied te zien.
De Technische Universiteit Twente heeft informatica vanaf de oprichting omarmd door het instellen van een informaticafaculteit. Dit gaf informatica een volwaardige plaats naast vakgebieden als scheikunde, natuurkunde, werktuigbouw en elektrotechniek. De faculteit is inmiddels opgegaan in een grote allesomvattende faculteit, waarmee een einde is gekomen aan de enige informaticafaculteit die Nederland ooit heeft gekend. In de nieuwe faculteit lijkt de positie van informatica wel heel behoorlijk gewaarborgd.
Aan de Technische Universiteit Eindhoven is informatica altijd stiefmoederlijk behandeld. Informatica werd als een neveneffect van wiskunde gezien. Er kwam een faculteit wiskunde en informatica waarvan het informaticadeel lange tijd tot doel had middelen veilig te stellen ten behoeve van wiskunde. Hoewel de verhouding tussen wiskunde en informatica grotendeels genormaliseerd is, ziet de universiteit informatica en wiskunde nog steeds als een geheel.
Dit soort zaken heeft consequenties. Het veroordeelt informatica tot een half vakgebied. Dus half zoveel middelen als bij andere zoals elektro of werktuigbouw. Verder betekent dit dat informatica wordt gepercipieerd als een wiskundige discipline, te bedrijven met pen en papier. Er is weliswaar voldoende budget voor hardware en software, maar er zijn geen middelen om programmatuur van industriële omvang te produceren en diepgaand te bestuderen. Dit is een van de oorzaken van de kloof tussen informatica in het bedrijfsleven en aan academische instellingen.
Dit soort tendenzen zien we ook op andere universiteiten. Het effect is dat de onderzoeksmiddelen voor informatica te veel verdund worden, en niet in verhouding staan tot die van ander technisch onderzoek. Informatica die plek geven waar de maatschappij recht op heeft, lijkt dan een gepasseerd station, terwijl allerlei nieuwe faculteiten wel het licht zien: biomedische technologie, industrial design en andere. Dus het kan wel.
In Delft is informatica net als bij andere universiteiten ook lange tijd onderdeel geweest van de faculteit wiskunde, zij is onlangs samengevoegd met elektrotechniek. De verhouding in Delft lijkt volstrekt zoek. Hoewel het aantal informaticastudenten er over het algemeen beduidend hoger is dan het aantal elektrotechniekstudenten zijn daar slechts drie hoogleraren informatica tegen 21 hoogleraren elektrotechniek. Dit is niet uniek voor Delft. Neem bijvoorbeeld Groningen. Die kent vijf hoogleraren informatica en 36 hoogleraren natuurkunde; beide opleidingen hebben een vergelijkbare studenteninstroom. Er zit dus iets flink scheef.

Professionalisme
We hadden onlangs een recordjaar met natuurrampen: 200 miljard dollar schade. Over de 290 miljard dollar die we elk jaar aan falende IT-investeringen uitgeven, heeft niemand het. Ook Nederland kent zijn deel in die onzichtbare IT-ramp. Bij de overheid is P-direkt een recent voorbeeld waar IT-geld is verkwist. En er zijn vele andere voorbeelden uit overheidsland bekend, van de studentenadministratie van de IB-Groep tot het Hoger Beroepen-systeem van Justitie. Ook de Calimero-redenatie van onze overheid, dat Nederland te klein is voor IT, dat die technologie wel uit Amerika kan komen, is niet op feiten gestoeld. De Nederlandse Spoorwegen zou de economsiche schade door wisselstoringen kunnen beperken. Het is in principe mogelijk wisselstoringen met behulp van informatica snel op afstand op te lossen. In de praktijk zitten NS-reizigers echter lang opgesloten in de trein, totdat men fysiek ter plaatse het probleem heeft verholpen.
En dan is er nog het gebrek aan professionaliteit. Daar is in Nederland nog nooit een breed onderzoek naar verricht. Dat is wel gebeurd in Engeland. Daar concluderen de Royal Academy of Engineering en The British Computer Society dat het zeer problematisch is gesteld met IT. Na uitgebreid onderzoek concludeert men dat: "Failure to improve the collective professionalism of the IT industry and strengthen the national infrastructure supporting project delivery is likely to have serious and ongoing economic consequences for the UK." Harde woorden, waarin het belang van informatica, het gebrek aan professionaliteit en het ontkennen van informatica als vakgebied de ingrediënten zijn.
Nederland kan zich in de toekomst niet meer tot een kenniseconomie rekenen als kennis en kunde over informatica een importartikel wordt. Want informatica komt niet in een doos met een strik eromheen de haven van Rotterdam binnen. Overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven zullen zich moeten afvragen wat de gevolgen voor onze economie kunnen zijn als het zo doorgaat met het ontkennen van het grote belang van informatica als nieuwe peiler. Wij hopen met het stipuleren van een aantal belangrijke issues een bijdrage te leveren aan dat o zo nodige debat.

Prof.dr.ir. Jan Friso Groote is hoogleraar informatica aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij is tevens voorzitter van de Informaticakamer. Prof.dr Chris Verhoef is hoogleraar Informatica aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en columnist voor Automatisering Gids.
 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!