Van dotcom crisis naar kredietcrisis

18 december 2009

Millenniumbug gaat niet af

Normaal gesproken trekt de jaarwisseling in Australië elders weinig aandacht. Maar op 31 december 1999 keek iedere ICT’er vanaf 15.00 uur Nederlandse tijd met een schuin oog naar de ontwikkelingen: Australië was de eerste grote economie waar duidelijk zou worden of de Y2K- of millenniumbug op tijd verholpen was.

Het probleem was ontstaan door de gewoonte om jaartallen in computers weer te geven met twee cijfers; in die notatie volgt op (19)99 dus het jaar (19)00. Bij banken en overheden bleven IT’ers zelfs op hun post om meteen na twaalven te kunnen ingrijpen, mochten zich problemen voordoen. Maar naarmate in meer landen het spectaculaire eeuwwisselingsvuurwerk doofde zonder dat het probleem zich manifesteerde, nam de nervositeit af. Uiteindelijk was slechts een heel klein aantal Y2K-bugs over het hoofd gezien.

Met man en macht

Vanaf 1995 – toen de eerste tekenen van naderend onheil zichtbaar werden – is met man en macht gewerkt om het probleem op te lossen. Omdat het voornamelijk om oude systemen ging, werden zelfs gepensioneerde softwaredeskundigen opgeroepen.

De werkzaamheden bleven niet beperkt tot oude software, ook andere systemen zoals Unix werden onder de loep genomen. Dat systeem bleek een eigen ‘millenniumprobleem’ te hebben, namelijk het vollopen van het interne tijdregister in het jaar 2037. In de nieuwe 64-bits Unix is ook dat probleem inmiddels verholpen.

Hacken wordt criminele activiteit

Wat twintig jaar geleden begon met onschuldige virusjes die hackers probeerden te verspreiden via floppydisks en die als hoogst bereikbare hadden dat letters dansend naar beneden vielen, is veranderd in een puur criminele miljardenbusiness die dagelijks gemiddeld 30.000 nieuwe vormen van geavanceerde malware produceert en gebruikt. Een schril contrast met de vijf nieuwe ‘signatures’ van malware die Symantec tien jaar geleden publiceerde.

Startsein

Tien jaar geleden gaf de eerste e-mailworm Melissa in feite het startsein voor de serieuze computercriminaliteit waarbij gebruik wordt gemaakt van internet. In korte tijd wist de worm zich via e-mailattachments massaal te verspreiden. Het was de eerste keer dat dit gebeurde. Tot dat moment verspreidden virussen zich traag via floppy’s.

Melissa was erop uit het mailsysteem plat te leggen. Een tamelijk onschuldig doel. De worm kreeg nog vele navolgers, zoals het I Love You-virus, Sobig, Nimda en Blaster. De makers wilden vooral elkaar aftroeven in slagkracht en publiciteit.

Vanaf 2004 verschenen echter geen mailwormen meer doordat het hacken van karakter veranderde en zich veel meer ging richten op het stelen van data voor geld. De bekendheid die massawormen opleverde, konden de criminelen niet gebruiken. Met de Trojans, die goed verborgen konden blijven op systemen, konden zij veel beter hun doel te bereiken. Trojans zijn ook veel geavanceerder. Ze zijn bedoeld om controle te krijgen en houden over systemen en om botnets te beginnen waarmee massaal spam verzonden kon worden. Virussen werden nog wel geschreven maar niet meer groots verspreid als voorheen.

Dropper

Belangrijk was ook de opkomst van de ‘dropper’. Malware moest tien jaar geleden nog met de hand op systemen geïnstalleerd worden nadat die gekraakt waren. De droppers hebben dit geheel geautomatiseerd. Daarnaast kwam de rootkit op. Menig beveiliger meldde vijf jaar geleden nog dat er van de rootkits weinig te vrezen was omdat die toch te ingewikkeld waren voor malwareschrijvers. Inmiddels heeft vrijwel elke Trojan een rootkit. “Rootkittechnologie helpt de Trojans zich beter te verbergen. Ze kan de antivirussoftware uitschakelen en helpt bij alle stappen die genomen moeten worden om de controle over systemen over te nemen.” McAfee telde in 2005 bijna geen enkele rootkit in malware. Inmiddels zijn het er zoveel dat het bedrijf in 2008 maar gestopt is met tellen.

De malwareschrijvers worden enorm geholpen door de fouten en slordigheden die in veel software verborgen zitten. Begin 2009 werd ter waarschuwing een lijst van de 25 meest gemaakte fouten gepubliceerd. Een teken aan de wand, dat zo’n lijst gemaakt kan worden, natuurlijk. Berucht zijn de buffer overflows. Invoervelden waarvoor niet gespecificeerd is hoe lang de input mag zijn, zijn een ideaal vehikel gebleken. Ook browsers bleken de nodige mogelijkheden tot misbruik te vertonen, met de cross-site scripting flaw als koning. Daarmee konden onvertrouwde sites zich de privileges toe-eigenen van sites in andere vensters.

SaaS is niet meer te stuiten

Cloud computing – infrastructuur en applicaties ‘uit het internet-stopcontact’ – maakte in het eerste decennium van de 21e eeuw een verrassend snelle ontwikkeling door. In 2001 konden analisten het ‘Application Service Provider’-concept – zoals het toen heette – nog afdoen als een hype. Marktonderzoeker IDC meende dat het concept nog niet aansloeg en technologiedenktank OTR voorspelde dat het ook in de toekomst nooit wat zou worden: te afhankelijk van schaarse en dus kostbare bandbreedte, ongeschikt voor applicaties die koppelingen met andere toepassingen nodig hebben en eigenlijk zonder echte voordelen.

Anno 2010 weten we wel beter: de online CRM-applicatie Salesforce.com bedient meer dan 1,5 miljoen abonnees, bijna een op de vijf bedrijven gebruikt Google Apps en gebruik van virtuele computers van partijen als Amazon EC2 en RackSpace zijn voor steeds meer bedrijven de gewoonste zaak van de wereld. Waarschijnlijke waren virtualisatie en SaaS (software-as-a-service) de twee enige investeringsgebieden in het IT-domein die het afgelopen jaar tegen de recessie in groeiden. Gartner schat de groei op wereldschaal zelfs op 18 procent. De totale markt voor SaaS wordt geraamd op 7,5 miljard dollar. De prognose voor de komende jaren luidt dat dit groeiniveau in elk geval tot het jaar 2013 aanhoudt, zodat de SaaS-markt dan een niveau bereikt van 14 miljard dollar.

Hoofdproblemen opgelost

Sloeg OTR de plank dan zo vreselijk mis, met zijn scepsis? Niet helemaal. De explosieve groei van het fenomeen hangt namelijk rechtstreeks samen met het oplossen van de twee hoofdproblemen die OTR indertijd aanwees. Bandbreedte kwam volop beschikbaar en werd stukken goedkoper. En de brede omarming van het service-oriented architecture-principe bij de ontwikkeling van software maakt integratie van SaaS-oplossingen van aanbieders misschien nog niet makkelijk, maar – zoals de praktijk laat zien – in de regel wel doenlijk.

Omdat schaalgrootte de basis voor de SaaS-businesscase is, waren algemeen inzetbare ‘horizontale’ toepassingen zoals boekhouden, kantoorautomatisering en later ook CRM, HRM en inkoop de eerste toepassingen die met breed succes ‘as-a-service’ gingen. Namen die hier bijhoren, zijn onder meer Twinfield, Google Apps, Salesforce, MYstaff en Basware. Maar inmiddels is verticale automatisering op basis van SaaS ook al geen uitzondering meer. Het succes van SaaS-boekhouden lokte gevestigde aanbieders van financieel georiënteerde ERP-oplossing de SaaS-arena binnen.

SaaS-as-a-service

De volgende stap de opmars van SaaS is iets wat je eigenlijk ‘meta-SaaS’ of SaaS-as-a-service zou mogen noemen, maar in de praktijk door het leven gaat als ‘platform-as-a-service’; een cloud-uitvoeringsplatform waarvoor derden vrij eenvoudig eigen applicaties kunnen ontwikkelen die ze vervolgens als SaaS kunnen exploiteren.

Force.com (juist ja, dat is een vervolgontwikkeling vanuit Salesforce.com) was een van de eersten die zo’n ‘platform-as-a-service’ met succes realiseerden. Het bespaart de aspirant-SaaS-providers hoge aanvangsinvesteringen, biedt schier onbeperkte schaalbaarheid en voorziet moeiteloos in afnameflexibiliteit. Voordelen die ze – omwille van hun eigen business case – een-op-een doorleveren aan hun SaaS-afnemers. Hun business is slechts het begrijpen en faciliteren van de business van hun klanten, de rest is maar IT.

Open source: 'here to stay'

Microsoft publiceert een installatiehulpmiddel voor Windows 7 onder de open-sourcelicentie GPLv2, nadat bleek dat het er open-sourcecode in had verwerkt.’ Zo maar een bericht, ultimo 2009. Maar ook een veelzeggend bericht over de acceptatie van het fenomeen open source: anno 2000 zou het ondenkbaar zijn geweest dat Microsoft zich aan open source bezondigd had.

Open source is gebaseerd op het idee dat het onzin is om klanten vaker te laten betalen voor eenmaal ontwikkelde software; ook het beperken van de mogelijkheden van de klant om zelf voort te borduren op gekochte of verkregen software wordt afgewezen. Op zich niet eens zo’n revolutionair idee. Open source werd, zij het niet onder die naam, jarenlang gepraktiseerd, tot de opkomst van leveranciers van pakketsoftware in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Die gingen jaarlijkse licentievergoedingen vragen voor het gebruik van software waar klanten de broncode niet eens van mochten zien.

Oppositie

Daar ontstond gaandeweg steeds meer oppositie tegen, deels uit idealistische motieven, deels uit weerzin tegen de opbloeiende praktijk van het patenteren van voor de hand liggende softwareconstructies – wat de rest van de wereld dwingt te betalen of een omweg te verzinnen – en deels ook wegens de nadelen van het ‘closed source’-model, zoals de afhankelijkheid van de leverancier, het risico dat men niets meer kon met de software bij faillissement of overname en de rem op innovatie. Met name overheden bleken gevoelig voor die laatste nadelen. In Nederland startte bijvoorbeeld al in 2003 een programma Open Standaarden en Open Source Software, dat langzaam maar zeker – nu onder de naam Nederland Open in Verbinding – vruchten afwerpt.

De timing van dat programma was overigens bijzonder. In 2002 spande SCO Group een rechtszaak aan tegen IBM wegens inbreuk op zijn auteursrecht. IBM zou code waar SCO Group het auteursrecht op had, zonder toestemming of vergoeding ingebracht hebben in open-sourceproducten. Microsoft schermde ook geregeld met de bewering dat open-sourcesoftware vaak inbreuk maakte op zijn patenten. In 2007 werd daar een aantal aan geplakt: 235 geschonden patenten.

Weggeëbd

De rechtszaak tussen SCO Group en IBM is nog steeds niet afgerond. Maar de aanvankelijke zorg dat men met open-sourcesoftware een tijdbom in huis haalde, is weggeëbd. En zelfs Microsoft is tot de conclusie gekomen, dat vreedzame coëxistentie en zelfs samenwerking met open source een betere strategie is dan confrontatie. Open-sourceproponenten van het eerste uur beginnen zich zelfs wat ongemakkelijk te voelen, nu leveranciers van closed-sourcesoftware steeds vaker gaten in hun aanbod afdekken met hun inspanningen, en zo hun marktpositie versterken.

Betrouwbare cijfers over het gebruik van open-sourcesoftware zijn er niet. Doordat de software veelal zonder verdere plichtplegingen kan worden gedownload, zitten tellingen van onderzoeksbureaus er vaak een factor 4 tot 10 naast. De Open Source Census, met onder meer IDC en Microsoft, probeert tot feitelijke tellingen te komen. Bij 350 bedrijven die de census hebben uitgevoerd werden in totaal een kleine 800 verschillende open-sourcetoepassingen gevonden. Gemiddeld had een bedrijf 58 verschillende open-sourcetoepassingen in huis. Daarbij gaat het meestal om ontwikkel- en integratiehulpmiddelen voor IT-professionals, maar ook Firefox, en in iets mindere mate OpenOffice, blijken veel aanwezig.

Mobieltje verovert de wereld

De mobiele telefoon maakte een spectaculaire ontwikkeling door. In 1999 bezat nog geen kwart van de West-Europeanen een mobiel toestel. In 2002 passeerde het aantal actieve mobiele abonnementen wereldwijd al de mijlpaal van 1 miljard. Begin 2009 waren wereldwijd naar schatting 4,1 miljard mobiele telefoons in gebruik.

Ook de mogelijkheden van de hardware namen een enorme vlucht. De conclusie in 2000 was nog dat een kleurenscherm in een mobiel toestel veel te veel energie kostte. De toestellen die nu in gebruik zijn hebben een kleurenaanraakscherm en een processor vergelijkbaar met de in 2000 uitgebrachte Pentium 4-processor.

Hooggespannen verwachtingen waren ook de basis voor bittere teleurstellingen. In 2001 voorspelde Forrester dat in 2005 3 procent van de online aankopen via de mobiele telefoon zouden verlopen. In 2002 bleek echter al, bijvoorbeeld uit onderzoek van de Yankee Group, dat er nauwelijks behoefte bestond aan geavanceerde datadiensten op de mobiele telefoon. De veel gehypete WAP-technologie voldeed niet als de mobiele toegang tot internet. Het in Japan succesvolle i-Mode kon in West-Europa telecomaanbieders niet de gedroomde omzet in mobiel dataverkeer leveren. Pas de afgelopen twee jaar nam het mobiel dataverkeer een vlucht, vooral na de introductie van de iPhone in 2007.

Google rijst tot grote hoogte

Rond de eeuwwisseling was zoeken op internet nagenoeg synoniem met het gebruik van Altavista. De succesvolle onderneming stevende af op een beursgang in juli 2000. In het voorjaar klapte echter de internetbubbel en markeerde het begin van het einde voor de dochteronderneming van Digital Equipment. De genadeklap kwam echter van de jonge rivaal Google, een bedrijfje van twee Stanford-studenten dat in 1998 was opgericht. Inmiddels is Google uitgegroeid tot het belangrijkste merk op internet, en de uitdager van ’s werelds machtigste leverancier van besturingssystemen en bedrijfssoftware, Microsoft.

Googles missie is alle beschikbare informatie ter wereld te organiseren en universeel beschikbaar en bruikbaar te maken. De zoekmachinetechnologie van Larry Page en Serge Brin legde de basis voor het imperium. Maar minstens zo goed bleek het advertentiemodel dat betaalde bedrijfsinformatie koppelde aan specifieke zoektermen. Google voert inmiddels de lijstjes aan van meest bezochte websites, sterkste merk ter wereld en beste plek om te werken. Google introduceerde een nieuwe vorm van werken, waarbij het personeel grote vrijheid heeft met als doel de betrokkenheid bij het bedrijf te vergroten, het werkklimaat optimaal te houden en een klimaat van innovatie te creëren.

Google ontmoet steeds meer weerstand, ondanks het bedrijfsmotto ‘Don’t be evil’. Google krijgt kritiek op het schenden van auteursrechten, het toepassen van censuur op zoekresultaten en het schaden van de privacy van klanten.

Googles diversificatiestrategie is onstuimig en maar ook succesvol. Het slaagt erin bedrijfseigen technologie te ontwikkelen, maar door in zeer vroeg stadium geïnteresseerd publiek bij het proces te betrekken het kaf van het koren te scheiden of het ontwerp met waardevolle suggesties van een potentieel gebruikersgroep te vervolmaken. Google schuwt daarbij niet de introductie van onorthodoxe bedrijfsmodellen zoals Google Apps. Software waar concurrent Microsoft zijn klanten rijkelijk voor laat betalen, stelt Google gratis via internet beschikbaar.

Mobiliteit wordt de norm

De laptop of notebook-pc is in tien jaar tijd van een duur extraatje voor de ‘happy few’ bijna een eerste levensbehoefte geworden, zowel voor de zakelijke gebruiker als de consument. Relatief sterkere prijsdalingen hebben de populariteit van de mobiele pc bevorderd. In de verkoopstatistieken raken de desktop-pc’s hun overheersende positie hierdoor snel kwijt.

Begin 2000 kostte een notebook nog een smak geld. Een doorsneemodel als de Toshiba 2610 CDT met 12 inch-scherm, AMD K6-processor, 64 MB geheugen, 6 GB harde schijf en Windows 98 SE moest 4700 gulden kosten, omgerekend 2130 euro. Het neusje van de zalm in die tijd, de Toshiba Tecra 8000, ging voor 5330 euro weg. Maar dan had je ook wat: een Intel Pentium II op 400 Mhz, 128 MB geheugen, harddisk van 13 GB en zelfs een dvd-speler.

Technische verbeteringen maken een laptop steeds begeerlijker. Intel en AMD spannen zich in om speciale, energiezuinige processors voor mobiele apparatuur te ontwikkelen. De trend naar grotere kleurenschermen – tot 17 en 18 inch aan toe – en breedbeeld maken laptops geknipt voor multimediatoepassingen. Het branden van cd’s en dvd’s wordt gemeengoed, maar in sommige recente modellen hebben optische schijven alweer afgedaan. De USB-memorystick met flashgeheugen is aanvankelijk duur en biedt weinig capaciteit (vanaf 8 MB), maar anno 2009 is 64 GB al leverbaar. Overigens doen alle noviteiten de moeizaam bereikte langere batterijduur, dankzij nieuwe technieken als lithium-ion, deels weer teniet.

Connectiviteit

Mobiliteit gaat hand in hand met connectiviteit. De introductie van draadloos internet rond het jaar 2000 maakt dat de laptopgebruiker buitenshuis niet van internet of het bedrijfsnetwerk verstoken is. Aanvankelijk met een uitbreidingskaartje, maar vanaf circa 2004, 2005 is vrijwel elke laptop standaard van WiFi voorzien.

Kleiner, platter, lichter. Tot een jaar of drie geleden kostten notebooks met die kenmerken al gauw 2000 euro en meer. De komst van de netbook heeft daar, tegen de verwachtingen van veel analisten en fabrikanten in, verandering in gebracht. Het Taiwanese Asus begon er in 2007 mee en nu heeft elke zichzelf respecterende pc-bouwer netbooks in het assortiment. Ze kunnen minder dan de dure ‘thin and lights’ van merken als Sony en Toshiba, maar zijn al vanaf zo’n 300 euro te koop. Voor de ware fijnproever blijven duurdere ultra­platte modellen als de MacBook Air begerenswaardig.

Het decennium kent ook een slachtoffer: de personal digital assistant (pda). Was eind jaren ’90 een Palm Pilot, Psion Series 5 of pda met Windows CE nog redelijk in zwang, tien jaar later hebben die apparaten vrijwel afgedaan. Hun rol is grotendeels overgenomen door smartphones zoals de BlackBerry en de iPhone.

Chips: kleiner, krachtiger

Steeds compacter, steeds krachtiger. Dat zijn de kernwoorden voor de chiptechnologie. Chips kennen steeds kleinere details. Intel is bijvoorbeeld net begonnen met de productie van chips met details van 32 nanometer, en heeft al prototypen van 22 nanometer. Bij de eeuwwisseling had Intel net de overstap gemaakt van 250 naar 180 nanometer. Destijds verwachtte de chipsindustrie pas in 2014 details van 35 nanometer te kunnen maken.

In 2000 was de Pentium III ‘top of the bill’ in Intels productlijn, met 28 miljoen transistors en een klokfrequentie van 0,8 GHz. Die kostte per stuk 853 dollar – in dollars van 2000 – bij afname van 1000 stuks. De nieuwste Intel-chip is de Core i7 met 731 miljoen transistors en een klokfrequentie van 3,2 GHz; deze kost 562 dollar per stuk bij duizend gekochte exemplaren. Er kunnen nu zoveel transistors op een chip, dat men ze nauwelijks zinvol meer voor één processor kan inzetten. Multicore-processors, met twee en vier processors per chip, zijn haast al de regel. Intel demonstreerde zelfs al een chip met 48 rekenkernen en geïntegreerde routers.

Supercomputerniveau

De miniaturisatie brengt vooral ook steeds meer rekenkracht. Benchmarks die processors uit 2000 vergelijken met die uit 2009 zijn er niet. Maar de ontwikkeling laat zich goed illustreren aan de ontwikkeling van de eerste supercomputers op de desktop. NVIDIA presenteerde in 2008 een op processors voor grafische kaarten gebaseerd werkstation dat met vier processorborden en met in totaal 240 rekenkernen 4 teraflops aan rekenkracht in zich bergt. Dat is meer dan de krachtigste supercomputer ter wereld bij de eeuwwisseling: die presteerde 2,75 teraflops. Het tweede decennium gaan we overigens in met een top-supercomputer van 1,75 petaflops, een verschil met het jaar 2000 van een factor 735.

De grote trek ‘offshore’

Dit decennium begon de grote trek van Nederlandse IT-dienstverleners naar lagelonenlanden waar het niveau van IT-vakmanschap hoog is. IT-serviceproviders openden vestigingen in landen als India, Pakistan, Vietnam, China, Tsjechië, Polen, Marokko en Madagaskar of gingen een samenwerkingsverband met een partner ter plaatse aan.

Aanjager was het trage herstel na de crisis van de jaren 2001 en 2002, dat aanvankelijk voor vooral grote IT-gebruikers het momentum creëerde om IT-kosten terug te dringen door uitbesteding van IT-taken. De enige reden om IT níet uit te besteden werd de veronderstelling dat de eigen staf het beter en/of goedkoper kon. Daar was aanvankelijk wel reden toe. De Boston Consulting Group concludeerde in 2004 na onderzoek bij Europese banken, waar ICT-banen bij duizenden de grens over gaan, dat er maar weinig verband bestaat tussen de investeringen in automatisering en de behaalde kostenefficiëntie. Gartner rapporteerde dat de helft van de projecten in offshoresoftwareontwikkeling jammerlijk mislukte. Gaandeweg kregen de dienstverleners de offshore-operatie met soms ingewikkelde culturele en politieke aspecten echter beter onder de knie. En was het eerst vooral laaggeschoold werk, later trok het niveau van uitbestede werkzaamheden op.

In de jaren 2003 en 2004 deden doemscenario’s de ronde over de effecten van offshoring op de Nederlandse arbeidsmarkt. FNV Bondgenoten voorzag in 2004 dat Nederland tot 2009 minimaal 50 duizend IT-banen kwijt zou raken door offshoring. Dat leidde tot nog toe niet tot grote problemen. Offshoring had veeleer een positief effect: het zorgde in de jaren 2005 tot 2008 voor een dempend effect op de krapper wordende en later overspannen arbeidsmarkt in Nederland. Of FNV Bondgenoten door de huidige crisis alsnog gelijk krijgt, is afwachten. In Amerika zijn er wel voortekenen. Tot verontwaardiging van velen groeit een bedrijf als IBM tijdens de huidige crisis in personele omvang alleen nog op offshore locaties, terwijl er in de VS medewerkers uit moesten.

Niet makkelijk

De IT-professionals die in het kader van uitbesteding hun werk volgden naar de dienstverleners met offshorevestigingen, kregen het niet altijd makkelijk. Vaak deden zich weliswaar nieuwe carrièrekansen voor, maar hun oude werk ging na verloop van tijd naar verre landen en kwam doorgaans niet meer retour. Om- en bijscholing werd voor deze groep medewerkers van levensbelang om gedwongen vertrek op termijn te voorkomen. Hun salarissen en secundaire arbeidsvoorwaarden waren bovendien vaak beter dan die van hun nieuwe collega’s. De ingesourceten staan voor de uitdaging het salaris dat ze ontvangen in de nieuwe situatie waard te worden.

Apple herpakt zich

Eind vorige eeuw zag de toekomst er voor Apple somber uit. Tussen 1993 en 1997 stapelden de verliezen zich op. De terugkeer van oud-topman Steve Jobs en nieuwe producten zorgden voor een ommekeer. De wederopstanding was al in 1998 ingezet met de iMac, een verkoopsucces. Maar de introductie van de lifestyle-producten voor de consument die opvallen door gelikte vormgeving en bedieningsgemak, betekenden een revolutie.

Die begon in 2001 met de eerste iPod-muziekspeler, waarvan vele generaties en modellen zullen volgen. In 2003 opent Apple zijn eigen online-muziekwinkel, gekoppeld aan de iPod. In 2008 wordt de mijlpaal van vijf miljard downloads gepasseerd.

iPhone

Een ander gadget, de iPhone, komt zomer 2007 op de markt. Ook met deze revolutionaire smartphone weet Apple wereldwijd te scoren. Het zwaartepunt komt zo steeds minder bij de Mac-computers te liggen. Dat tonen ook de omzetcijfers. Tussen 2000 en 2009 zag Apple kans de omzet meer dan te verviervoudigen, van 8 miljard naar 36,5 miljard dollar. De nieuwe producten spelen een hoofdrol in die omzetexplosie. iPod, de iTunes-muziekwinkel en iPhone waren goed voor bijna 19 miljard dollar omzet in het laatste boekjaar. Begin 2007 wordt de accentverschuiving benadrukt door de naamswijziging van het bedrijf van Apple Computer in Apple Incorporated. Op de zakelijke markt heeft Apple overigens weinig voet aan de grond. Professionele gebruikers zitten voornamelijk in vrije en creatieve beroepen en het onderwijs.

Intel-processor

Apple blijft overigens wel succesvol met zijn Mac’s: de omzet verdubbelde bijna in tien jaar. Een belangrijke koerswijziging is de overstap van PowerPC- op Intel-processors. Begin 2006 staan de eerste iMacs en MacBooks Pro met Intel-chips in de winkel. Apple verzacht de migratiepijn met Rosetta, een binaire-vertaallaag voor oude applicaties. Klonenbouwers krijgen nauwelijks een kans, maar Apple stelt zich wel wat meer open. De utility Boot Camp maakt het mogelijk Windows op een Mac te gebruiken.

Het lot van Apple is sterk verbonden met zijn charismatische leider Steve Jobs. Dat hij er wegens een ernstige ziekte een halfjaar tussenuit gaat, wekt dan ook veel beroering. De Apple-trein blijft echter in 2009 ook zonder Jobs op stoom.

De dotcom-crisis

Nina Brink en haar World Online werden het Nederlandse symbool voor de dotcomcrisis. De basis voor de crisis werd gelegd in de laatste jaren van de vorige eeuw. Samen met een kennelijk door de naderende eeuwwisseling gevoede euforie leidde het nieuwe medium internet tot een ongebreideld vooruitgangsgeloof waarin het geld niet op kon. Winst was niet meer belangrijk, het enige dat telde was het verbreden van de klantenbasis. Hoogtepunt van de dotcom-bubble was zonder meer de overname van Time Warner – succesverhaal van de oude economie – door een representant van de nieuwe economie. Internetbedrijf America Online bracht op 11 januari 2000 een bod uit dat een schokgolf door de wereld zond, en voor de proponenten van de Nieuwe Economie hun gelijk bewees.

Dat was van korte duur. Maart 2000 begon de dotcom-ballon leeg te lopen. In het voetspoor kwamen bij een aantal bedrijven (Worldcom en Enron) kwestieuze boekhoudpraktijken aan het licht die tot faillissement leiden, en de crisis verdiepten.

De crisis telde vele slachtoffers. De ‘fusie van de eeuw’ tussen America Online (AOL) en Time Warner werd geen succes. Na het barsten van de internetzeepbel leed het bedrijf een recordverlies van 99 miljard dollar. Time Warner (dat in 2003 AOL uit de naam haalde) heeft onlangs aangekondigd dat het AOL zal afstoten. Talloze bedrijven verdwenen, veel IT’ers verloren hun baan – alleen al in Silicon Valley 100.000 – en veel investeerders zagen hun geld in rook opgaan. Maar niet ieder bedrijf ging kopje onder. Tot de overlevers behoren Amazon en … Google.

Microsoft versterkt grip op zakelijke markt

Microsoft heeft het gehele decennium met autoriteiten gestreden over beschuldigingen van concurrentiebeperkend gedrag. Directe aanleiding was de manier waarop Microsoft browsers van concurrenten wegvaagde, door Internet Explorer mee te leveren met Windows. Maar de kern van de zaak was de vrees bij de concurrentie dat Microsoft door het eigendom van het besturingssysteem van pc’s en servers – en geheim gehouden application programming interfaces – met efficiëntere, beter op Windows afgestemde applicaties de markt zou bestormen.

In 2000 kreeg de Amerikaanse antitrustzaak een voorlopig hoogtepunt met de beslissing van rechter Penfield Jackson dat Microsoft zich diende op te splitsen. Uiteindelijk schikten Microsoft en het openbaar ministerie van de Verenigde Staten de zaak met een compromis waarin Microsoft openheid beloofde over zijn API’s.

Dat proces verliep echter uiterst traag. De voornamelijk Amerikaanse concurrenten hadden uiteindelijk de Europese Commissie nodig om Microsoft – via een paar boetes van honderden miljoenen – te dwingen effectief openheid van zaken te geven. Ook de scheiding van Windows en IE, die de Amerikaanse autoriteiten niet wisten te bewerkstelligen, werd door Europa afgedwongen. Rond de eeuwwisseling bestreed Microsoft te vuur en te zwaard dat Internet Explorer en Windows 95 gescheiden dienden te worden aangeboden. Een scheiding was technisch onmogelijk, heette het. In 2009 is het dan toch zo ver gekomen: Microsoft biedt Windows-klanten keuzevrijheid bij de installatie van browsers. De Europese antitrustprocedure loopt daarmee op zijn eind.

Hoe nodig die keuzevrijheid was, is nog de vraag. De consument heeft de keuzemogelijkheid al lang ontdekt. Toen Microsoft op zijn lauweren ging rusten, grepen concurrenten hun kans. Onder aanvoering van de open-sourcebrowser Firefox veroverden ze een derde van de markt terug.

Weinig effect

Op Microsofts zakelijke succes hadden de antitrustbeslommeringen weinig effect. Met name in de zakelijke markt heeft het een nagenoeg onaantastbare positie opgebouwd. Microsoft domineert nog steeds de desktop – ondanks jarenlange vertraging bij het creëren van een bovendien ook nog sterk tegenvallende opvolger van Windows XP. Met SharePoint als centraal samenwerkingsplatform lijkt die positie alleen maar sterker geworden. Ook in het rekencentrum is Microsoft steeds dominanter geworden, door de uitbouw van Windows tot een volwaardig serverplatform inclusief bijbehorende beheertools, met de niet te vermijden mailserver Exchange, en de database SQL Server.

Die dominante positie leverde in boekjaar 2009, dat 30 juni eindigde, een omzet van bijna 58,5 miljard dollar op; in 2000 was dat net geen 23 miljard. Om dat in perspectief te zetten: de omzet in kant-en-klare software, waarin Microsoft het leeuwendeel van zijn omzet behaalt, groeide van 154 miljard dollar in 1999 tot 297 miljard in 2008.

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Neem contact met ons op!