Innovatie & Strategie

Wetenschap
Euro's

‘Topsectorenbeleid vernietigt de kennisinfrastructuur’

Paul Klint is bij zijn afscheid als hoogleraar kritisch over de stimulering door de overheid.

7 februari 2014

”Vorige maand nam Paul Klint afscheid als hoogleraar Software Engineering aan de Universiteit van Amsterdam. Wie zijn afscheidsrede beluistert, hoort een tevreden man die terug kan kijken op een markante wetenschappelijke carrière. Met onderzoeksresultaten die hun weg vonden naar de praktijk van de software engineering en lange reeks promovendi, waarvan er inmiddels een flink aantal zelf ook de toga aantrok. Toch maakt Klint zich ook zorgen, grote zorgen. “Over tien jaar is er een parlementaire enquête over de vraag hoe het mogelijk was dat het Topsectorenbeleid onze kennisinfrastructuur heeft vernietigd.”

Wat zal dan uw antwoord zijn tegenover de enquêtecommissie?
“Het overgrote deel van universitair onderzoek wordt voor de helft betaald door het bedrijfsleven. De andere helft van de onderzoekskosten wordt via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) door de overheid aangevuld. Traditioneel mochten bedrijven hun bijdrage in natura leveren, dus in de vorm van uren van bijvoorbeeld medewerkers die even niet op andere projecten nodig zijn, rekencapaciteit, softwarelicenties, kantoorruimte en dergelijke. De waarde daarvan gold dan als een financieel vertaalbare bijdrage aan de onderzoekskosten. Maar sinds de invoering van het topsectorenbeleid mag zo’n bijdrage in natura niet meer worden meegerekend. Het bedrijfsleven moet zijn helft in de onderzoekskosten tegenwoordig ten volle in contanten voldoen. Voor de meeste bedrijven is dat een showstopper. En dat pakt voor de universiteiten desastreus uit.”

En die andere geldstroom voor fundamenteel onderzoek?
“Die verschraalt ook enorm. De kans dat je een onderzoeksvoorstel gehonoreerd krijgt is omstreeks 15 procent. Dat betekent dat 85 procent van de inspanning van schrijven van onderzoeksvoorstellen vergeefse inspanning is, gewoon ‘door het putje’. Je had het achteraf net zo goed niet kunnen doen. Dat is een gigantische verspilling, maar een nog veel grotere verspilling doet zich voor bij de beoordeling van de voorstellen. Dat gebeurt door peer reviews, maar de consensus is daarbij zodanig ver te zoeken dat je eigenlijk wel kunt stellen dat dobbelen of lootjes trekken net zo goed zou werken. Het zou in ieder geval stukken minder tijd van de betrokken wetenschappers opslokken. Bij elkaar genomen denk ik dat meeste universitaire computerwetenschappers in Nederland ruwweg wel zo’n dag in de week kwijt zijn aan het schrijven en reviewen onderzoeksvoorstellen, zonder dat dat enige noemenswaardige waarde creëert.”

Heeft u een alternatief dat, anders dan dobbelen, recht doet aan de verschillen in kwaliteit die er toch heus wel zullen zijn?
“Ja, je zou kunnen loten met een wegingsfactor op basis van de gebleken eerdere prestaties van de aanvragers. Bij NWO worden ze woest als ik dit zeg. Maar dat samenspel tussen bedrijfsleven, overheid en wetenschap blijft een punt van zorg. In de jaren tachtig was ik voor het Directoraat Wetenschapsbeleid betrokken bij de opstelling van het informatica­stimuleringsplan. Ik heb daar toen veel intelligente en hardwerkende beleidsambtenaren leren kennen, maar ik ben ook gaan inzien dat die mensen in een onmogelijke positie zitten; ze moeten als buitenstaanders twee partijen bij elkaar brengen die eigenlijk het liefst hun eigen gang gaan. Dat lukt dus niet.”

Wat werkt wel?
“Het is en blijft bijzonder moeilijk de goede instrumenten te vinden. De klassieke opvatting dat wetenschappers fundamenteel onderzoek doen naar kwesties die toevallig open bleven na eerder onderzoek en dat dat dan tot kennis leidt die vroeg of laat hier of daar wel van praktisch nut zal blijken te hebben, is natuurlijk volstrekt naïef. Op basis van dat verhaal kun je nooit financiering claimen. Maar de tegenovergestelde benadering – het bedrijfsleven wil dit en dat weten, dus dat gaan jullie nu binnen vier jaar ontdekken – werkt uiteraard ook niet.

Je moet het dus hebben van een of andere vorm van samenwerking, met behoud van wederzijdse autonomie. En dat kan, denk ik, alleen als je het bottom-up laat ontstaan. Laat wetenschappers en bedrijven zelf met elkaar kennismaken. Dat kun je niet afdwingen, je kunt hooguit de voorwaarden ervoor verbeteren. Bijvoorbeeld door het creëren en bevorderen van ecosystemen waarin ze elkaar tegenkomen, bij de koffieautomaat of in een café in de buurt van het science park. Als daar over en weer inzicht ontstaat in de vragen waarmee wordt geworsteld, dan komt uitwisseling op gang. Het in de aard van zowel wetenschappers als bedrijven dat ze dan mogelijkheden zien en realiseren om dingen samen aan te pakken.”

Heeft het bedrijfsleven de wetenschap eigenlijk nog wel nodig?
“Zeer zeker wel. Het zou een enorme fout zijn dat te ontkennen. Alleen al omdat de universiteit al die briljante technici voor hen opleidt. Maar veel meer nog omdat de wetenschap vragen oppakt die voor het bedrijfsleven te ver achter de horizon van hun investeringsplanning liggen. Natuurlijk, het R&D-geweld van bedrijven als Google, IBM en Apple is indrukwekkend, maar tegelijkertijd zie je dat die grote IT-concerns toch ook jaarlijks tientallen MKB-bedrijfjes opkopen vanwege ideeën die zij zelf kennelijk niet hebben kunnen genereren. Veel van die opgekochte bedrijven komen uit de ecosystemen rond universiteiten. Daarnaast zie je natuurlijk ook dat bedrijven kennis en software die aan universiteiten werden ontwikkeld, na verloop van tijd gaan gebruiken om hun eigen producten en diensten ermee te innoveren.”

Heeft uw werk bij het CWI ook spin-offs of technologie voortgebracht die echt economisch meetellen?
“Jazeker. In mijn afscheidsrede noemde ik SIG als een bedrijf van 100 werknemers met klanten in binnen- en buitenland. De dienstverlening van de SIG richt zich op het monitoren van de kwaliteit en onderhoudbaarheid van softwaresystemen.

Als een voorbeeld van aan het CWI ontwikkelde technologie die het de komende jaren zeker gaat maken in het bedrijfsleven, zou ik willen wijzen op Rascal. Dat is is een meta-programmeertaal voor het maken van andere programmeertalen die domeinspecifiek zijn. Dat houdt in dat ze – ten koste van een bredere inzetbaarheid – heel efficiënt zijn in het specifieke domein waarvoor ze bedoeld zijn. Een promovendus van mij heeft aangetoond hoe dat kan werken in het domein van digitaal forensisch onderzoek.

Bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gebruikten ze een speciaal voor hun soort onderzoek ontwikkelde applicatie. Die omvatte zo’n 40.000 regels Java-code. Dat is heel moeilijk en kostbaar om te onderhouden. Toch is onderhoud essentieel, omdat die software wat betreft mogelijkheden voortdurend moet meegroeien met de technologie waarvan boeven en slachtoffers gebruik maken. Het gevolg daarvan is dat de complexiteit van de applicatie de software-engineers van NFI geleidelijk aan boven het hoofd dreigde te groeien.

Met Rascal kon een (intermediaire) programmeertaal worden ontwikkeld waarin de functionaliteit van de forensische applicatie in 1300 regels code was uit te drukken. Dat is enorm veel makkelijker te onderhouden. Het gevolg is dat NFI nu tegen geringere kosten vaker updates kan doorvoeren, die ook nog eens minder bugs bevatten. Ik twijfel er niet aan dat deze aanpak over een jaar of vijf in tientallen andere domeinen wordt toegepast en tot betere en goedkoper software gaat leiden.”

U begint uw afscheidscollege met een relaas over instortende bruggen. De pointe is dat we in het domein van software engineering niet iets anders moeten verwachten dan in het domein van de weg-en-waterbouwkunde; fouten zijn zowel tragisch onvermijdelijk als leerzaam. Daarmee lijkt u zich af te zetten tegen het intellectueel erfgoed van Edsger Dijkstra, wiens centrale leerstelling is dat wiskundig bewezen correctheid van programma’s geen onredelijke eis is.
“Als het programma bewezen correct is, dan wil dat zeggen dat het aan de specificaties voldoet. Maar de brug te Angers, die in 1850 instortte, voldeed waarschijnlijk ook prima aan de specificaties. Maar van de specificaties maakte helaas niet de eis deel uit, dat er een regiment soldaten overheen moest kunnen marcheren. Dat type specificatie-fouten is inherent aan vernieuwing, je moet ze gewoon als feit accepteren, en het heeft niet zo veel zin om daar iets van te vinden.”

Zijn in het geval van software, behalve onbekendheid met de werkelijkheid, niet vooral ook winstbejag en haast factoren die de kwaliteit fnuiken?
“Ja, dat mag zo zijn, maar ook hier geldt dat het weinig zin heeft om er iets van te vinden. De vrijemarkteconomie is nu eenmaal de aanjager van innovatie in het algemeen en de softwarerevolutie in het bijzonder. Ik moet – met pijn in het hart – erkennen dat economisch succes daarbij zelden het gevolg is van technologische superioriteit. Er zijn voorbeelden te over van technologische oplossingen die helemaal niet zo slim in elkaar steken, maar die toch de facto standaarden werden doordat de leverancier de eerste was die er mee op de markt kwam, op het juiste moment de cruciale alliantie wist te sluiten of gewoon heel goed was in marketing. Als wetenschapper kun je dan zeggen ‘wat jammer dat ze daar niet eerst nog een paar jaar onderzoek in hebben geïnvesteerd’, maar zo werkt het nu eenmaal niet.”

Wat gaat u doen nu u met emeritaat bent?
“Voorlopig werk ik gewoon verder, als zzp’er bij de UvA en als research fellow bij CWI.”

En zo nu en dan als gastauteur voor AutomatiseringGids?
“Ik schrijf altijd met plezier over onderwerpen die me na aan het hart liggen en AutomatiseringGids is een prima medium om bruggen tussen wetenschap en bedrijfsleven te bouwen en te versterken.”

 

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!