Terremark vestigt ­datacentrum op Schiphol

20 mei 2011

“We willen aanwezig zijn op de Europese markt, omdat daar grote behoefte is aan servercapaciteit”, zegt Ben Stewart, senior vicepresident van de Terremark Federal Group. Terremark bouwt datacentra en verhuurt die ruimten aan derden. In de Verenigde Staten wordt dat aangeduid als MTDC (Multi Tennant Data Centres), in Europa spreken we eerder van colocatie.

Het oprichten van een eigen datacentrum in Europa vereist voorbereidingen, te beginnen bij het kiezen van de juiste locatie. Stewart: “Europa is wat dat betreft anders ingericht dan de VS. De kaart van Europa kun je op een aantal manieren invullen. Kijk je alleen naar de beschikbare bandbreedte, dan komt het middenstuk er heel goed uit. Gaat het daarentegen om een prettig ‘klimaat’, waarmee ik bedoel dat de omgevingstemperaturen zodanig zijn dat je weinig geld hoeft uit te geven aan koeling, dan heeft het noordelijke gedeelte duidelijk de voorkeur.”

Zo gauw duidelijk wordt dat een firma bouwplannen heeft voor Europa, stromen de aanbiedingen als het ware binnen. “Zo hebben we lang gepraat met een delegatie van IJsland, die vooral schermde met geothermische energie en de heersende kou die ideaal is om een centrum zonder kosten te koelen. Voor die argumenten valt veel te zeggen, maar als je dan ziet dat het land slechts met een enkel onderzees kabeltje met de rest van de wereld is verbonden, dan vallen de gesprekken stil”, stelt Stewart.

De keuze is uiteindelijk gevallen op een bouwlocatie in Nederland, onder de rook van Schiphol. Terremark wilde per se een eigen vestiging hebben in een regio waar zeer veel bandbreedte beschikbaar is. De keus viel op grond van dat criterium op de omgeving van Amsterdam. Het werd Schiphol toen Terremark daar een bestaand pand vond dat met enige moeite kon worden omgebouwd, en met naast dat pand genoeg ruimte voor de bouw van uitbreidingen.

Wat hier opvalt, is de grote nadruk die wordt gelegd op het milieu. “Dat dwingt je om na te denken over waar je mee bezig bent”, zegt Stewart, “en het scheelt uiteindelijk nog een hoop geld ook. We zien ook dat de bouwers in Europa een stuk inventiever zijn dan in de VS. In het thuisland wordt een datacentrum altijd volgens een vast stramien gebouwd, hier is er veel meer oog voor variatie en vernieuwing. Bijvoorbeeld het gebruik van prefabmuursecties, waar we in de VS natuurlijk wel van hadden gehoord maar die daar nooit gebruikt worden.”

Ook de omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol, zo meent Stewart: “Elke locatie heeft zijn eigenaardigheden. In de VS kunnen we bijvoorbeeld last hebben van storm, hoewel we daar bij de bouw van een centrum terdege rekening mee houden. Tijdens de orkaan Katrina, bijvoorbeeld, waaide rondom een van onze datacentra een wind met een snelheid van 135 mijl per uur. Die had echter geen invloed op de apparatuur binnen in het centrum. Hier op Schiphol zitten we met het feit dat alles onder zeeniveau ligt. Uit een risicoanalyse blijkt wel dat Schiphol daar geen acuut gevaar door loopt, dus daar liggen we niet wakker van.”

Doordat Terremark op een terrein van Schiphol wordt gevestigd, is er nauw overleg met de luchthaven. “En dat biedt perspectieven op het gebied van het milieu. Zo liggen er nu plannen om de restwarmte van ons nieuwe rekencentrum te gaan gebruiken voor het verwarmen van een busstation bij de luchthaven”, aldus Stewart.

Koude lucht is niet alles

“We horen wel vaker dat bedrijven de voorkeur geven aan de vestiging van een datacentrum in het noorden van Europa. Ze hebben het idee dat je alleen maar de deur hoeft open te zetten of je hebt gratis alle koeling die je maar wil”, zegt Niclas Andersson, technisch directeur van het Nationaal Supercomputer Centrum (NSC) van Linköpings Universitet in Zweden. Hoe aantrekkelijk dat ook lijkt, het zou in de praktijk tot een ramp leiden om de buitenlucht zomaar het centrum in te leiden. “De mensen vergeten dat we in Noord-Europa te maken hebben met droge tot zeer droge lucht. Noem het voor het gemak gevriesdroogd, met een vochtigheid van 5 à hooguit 10 procent. Veel te droog om een serverruimte in te blazen. Zou je dat wel doen, dan krijg je gigantische problemen met statische elektriciteit. Koellucht moet een vochtigheid hebben van 40 procent. Voor het bevochtigen van die lucht moeten we dus maatregelen nemen en die kosten wel energie.”

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!