Programmeren valt scholieren tegen

19 augustus 2011

Dat zijn de belangrijkste conclusies van onderzoekers Johan Jeuring (hoofddocent Software Technologie aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar aan de Open Universiteit), Ernst Koldenhof en Sandra Ruth (beiden eveneens verbonden aan de Universiteit Utrecht) in het rapport ‘Rendement van objectgeoriënteerd programmeeronderwijs’, dat in juli werd gepubliceerd. Het onderzoek is gesubsidieerd door Kennisnet in het kader van de Stimuleringsregeling Educatief Onderzoek.

Bij de invoering van de vernieuwde tweede fase in het voortgezet onderwijs in 2007 is het aantal beschikbare uren voor het vak Informatica toegenomen. Hierdoor is er meer ruimte om aandacht te besteden aan de verschillende onderwerpen die binnen het vakgebied een rol spelen. “Op alle scholen die het vak Informatica aanbieden - zo’n 60 procent van alle scholen - is er de nodige aandacht voor programmeren. Maar de kwaliteit van het onderwijs wisselt en het aantal uren blijft meestal beperkt tot één periode met maximaal 20 lesuren. Dat is onvoldoende om echt te leren programmeren”, licht Jeuring toe.

Aan zelf iets bouwen komen de meeste leerlingen dus niet toe, of ze moeten het zichzelf hebben aangeleerd in hun vrije tijd. “Creatief bezig zijn is nou net een van de leukste dingen van het vak, maar op dat niveau belandt de doorsneeleerling niet.” Het verbaast hem dan ook niet dat uit het onderzoek naar voren komt dat de meeste leerlingen objectgeoriënteerd programmeren moeilijker en minder leuk vinden dan van tevoren gedacht. “Ze moeten even door de zure appel heen bijten, maar als ze eenmaal weten hoe ze moeten programmeren – en dat ís ook best lastig – wordt het echt leuk, dat merken we ook bij onze eerstejaarsstudenten”, vertelt Jeuring. Overigens is de animo voor een Informatica-opleiding niet toegenomen, sinds de introductie van het keuzevak in het voortgezet onderwijs.

Moeilijk onderdeel
Ongeveer de helft van de ondervraagde scholieren vindt objectgeoriënteerd programmeren het moeilijkste onderdeel van het vak Informatica. Ook studenten Informatica worstelen vaak met dit onderdeel, wat volgens de onderzoekers regelmatig leidt tot vertraging en uitval. “Opleidingen moeten het niet mooier maken dan het is: programmeren is leuk, maar het is ook uitdagend werk wat een bepaald abstractie- en modelleervermogen vergt. Als je daar niet helder over communiceert, wek je valse verwachtingen”, aldus Jeuring. Hij denkt dat aanpassing van het vak op middelbare scholen kan helpen bij het aanwakkeren van de interesse voor een ICT-studie op hbo- of wo-niveau. De afgelopen jaren kampte de sector met een gebrek aan instroom bij deze opleidingen. “Je moet het vak inperken: minder onderwerpen behandelen en meer aandacht voor het creatieve, constructieve aspect, dat is wat jonge mensen aanspreekt.”

Het programmeeronderwijs blijkt op sterk uiteenlopende manieren te worden aangeboden op middelbare scholen. Om de variatie enigszins te beperken, hebben de onderzoekers zich gericht op twee lesmethoden: Enigma en Fundament. “Vergeleken met Enigma biedt Fundament minder mogelijkheden voor de leerlingen om met behulp van opgaven zich verder te verdiepen in de lesstof. Bovendien volgt Fundament weinig suggesties voor programmeeronderwijs die gegeven zijn in de literatuur”, concludeert Jeuring.

Veel verschillend lesmateriaal
De ondervraagde docenten gebruiken de lesmethoden op zeer verschillende manieren: van achtergrondmateriaal dat eventueel geraadpleegd kan worden, tot leidend bij het onderwijs. Bovendien werd duidelijk dat docenten vaak zelf studiemateriaal ontwikkelen. Jeuring: “Aan de ene kant is deze toren van Babel-situatie indrukwekkend, aan de andere kant zorgwekkend. Wij denken dat minder variatie in onderwijsmateriaal dat op meer plekken wordt gebruikt leidt tot beter uitgewerkte lessen en tot onderwijs met een beter rendement.” Daarnaast is het de vraag of iedere informaticadocent wel de benodigde competenties heeft in het ontwikkelen van onderwijsmateriaal, mede gegeven het feit dat niet iedere docent Informatica heeft gestudeerd, maar geschoold is in een ander vak en in een later stadium omgeschoold is.

De onderzoekers stellen dat de enorme variatie in het informaticaonderwijs binnen het voortgezet onderwijs deels te maken heeft met persoonlijke voorkeur en interesse van docenten. Tegelijkertijd zijn de leerdoelen voor objectgeoriënteerd programmeren beknopt en de eindtermen te globaal en vrijblijvend. “Zo moeten vwo-leerlingen bijvoorbeeld ‘netjes’ leren programmeren, whatever that may be”, lacht Jeuring. Volgens hem zou een gedetailleerdere beschrijving van de leerdoelen de variatie in kunnen perken. En een nadere specificatie van de eindtermen zou moeten resulteren in standaardtoetsen.

Tot slot bevelen de onderzoekers aan een leerstoel of expertisecentrum op te zetten, waarin gestructureerd onderzoek wordt uitgevoerd naar informaticaonderwijs. “In Nederland ontbreekt het aan een instituut dat zich hier verantwoordelijk voor voelt. Maar als je het vakgebied naar een hoger niveau wil tillen, is dit wel noodzakelijk.”

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!