E-learning ontneemt docent status

7 december 2007

Het klassikaal opleiden zit zowel in het bedrijfsleven als het onderwijs in z’n laatste levensfase. Hoe komt dat? Ten eerste zijn er doorslaggevende economische motieven. Daarnaast hebben klanten en cursisten geen behoefte meer aan tijdrovende groepstrainingen. Social software, E-learning 2.0 en Blended Learning eisen binnen de nieuwe opleidingsconcepten een steeds grotere rol voor zich op. Ook bij de op motivatie en gedrag gerichte marketingcampagnes kiest inmiddels 41 procent van de commerciële organisaties voor een crossmediaconcept.
E-learning 2.0 is de verzamelnaam voor het online leren met behulp van interactieve leer- en oefenprogramma’s, gecombineerd met social-softwareplatforms, zoals bijvoorbeeld Hyves en YouTube. E-learning 2.0 heeft internationaal het laatste jaar een onstuimige groei doorgemaakt. Ook de groei in het Nederlandse bedrijfsleven is inmiddels fors. Het bedrijfsopleidingen- & bedrijfstrainingenonderzoek 2005-2006 toont aan dat maar liefst 28 procent van het budget voor externe opleidingen opgaat aan onlineleren. Met name de financiële dienstverleners en de ICT-bedrijven blijken enthousiaste afnemers.
De wederopleving van e-learning is vanuit economisch perspectief goed te verklaren. Het kwalitatieve aanbod van de factor arbeid is namelijk niet meer toereikend. Het is moeilijk goed gemotiveerde docenten en opleiders te vinden en te behouden. Daarbij komt dat opleiders verhoudingsgewijs duur zijn en dat maakt het logisch dat men internationaal het opleiderswerk aan het automatiseren is.
Met name het toepassen van Blended Learning, de combinatie van E-learning 2.0 met face-to-facebijeenkomsten, levert veelbelovende resultaten op. Dit rendement op de investeringen in tijd en geld komt met name voort uit de veel efficiëntere logistiek. Door de onlinedistributie kunnen cursisten leren en oefenen op zelf gekozen tijden, op een zelf gekozen plaats en in een zelf te bepalen tempo.
Waar het gaat om economische motieven binnen opleiding en scholing heeft columnist Frank Kalshoven een en ander ooit mooi samengevat (Volkskrant, 30-6-’06): “Investeringen in ICT hebben de afgelopen decennia de factor arbeid ontlast en er is geen reden waarom het onderwijs zich niet net zo zou ontwikkelen als de rest van de economie.”

Naast economische motieven heeft vooral de huidige generatie cursisten het e-leren in gang gezet. Deze afnemers van opleidingen bepalen namelijk zelf wat ze willen leren en wanneer. Met name de groep tot 55 jaar met een MBO- of HBO-niveau pakt kennis en inzicht bij voorkeur fragmentarisch op. En dan het liefst pas op het moment dat de leerbehoefte zich aandient. Dat is wel even iets anders dan een groepstraining die drie maanden te vroeg of te laat komt en waarvan een groot deel van de lesstof niet direct relevant is. Blijkbaar behoren we inmiddels allemaal zo’n beetje tot de ZAP-generatie, ook als het om leren gaat.De revolutie van het online aan jezelf werken is helder aangetoond in de zelfhulp voor mensen met depressieve klachten. Onderzoek van Viola Spek (Universiteit van Tilburg, www.kleurjeleven.nl) toont aan dat een cursus via internet waar geen therapeut aan te pas komt, ook op langere termijn effectiever is dan klassikale groepssessies. En dat dan tegen een fractie van de kosten.
Logisch dat deze vorm van individueel leren ook onderwijskundigen aanspreekt. Nagenoeg alle opleidingsspecialisten onderschrijven namelijk de kracht van de leerstijlen van Kolb. De psycholoog David Kolb ontwikkelde de Learning Style Inventory, een van de meest gebruikte modellen voor leerstijlen in het onderwijs en het management. Hij toont in zijn model aan dat iedereen op een geheel eigen manier leert, bijvoorbeeld als doener, denker, bezinner of beslisser. Hij pleit ervoor het leeraanbod op deze basisstijlen af te stemmen. In groepssessies is het voor opleiders echter bijna ondoenlijk aan deze individuele leerstijlen tegemoet te komen. Met E-learning 2.0 en Blended Learning is het Kolb-model voor onderwijskundigen wel direct toepasbaar.
Daar waar de onderwijskundigen warm lopen voor het aanpassen van lesprogramma’s, trappen de uitvoerende opleiders veelal op de rem. Zij zitten niet te wachten op een nieuwe rol als (e-)coach van cursisten, en zeker niet als die cursisten ook nog eens zelf hun leerpad willen samenstellen. E-learning 2.0 ontneemt docenten hun zekerheid en status. Logisch derhalve dat trainers en docenten de showstoppers zijn van het webleren. E-learning kan dan ook alleen maar slagen als er naast alle webtechnologie voldoende aandacht is voor het veranderingsproces van de uitvoerende opleider.

Naast het individuele leren heeft internet ook social software in de aanbieding. Met ruim 4,4 miljoen leden toont een vriendenplatform als Hyves aan dat het ‘socializen’ vanachter je beeldscherm een serieuze zaak is geworden. In forums als Hyves, Wikipedia en YouTube delen de gebruikers informatie, kennis en ervaringen op basis van halen en brengen. Binnen het onderwijs en in bedrijven ontstaan inmiddels ook besloten social-networkplatforms. Hierin deel je met collega’s je specifieke werkervaring naast je persoonlijke belevenissen. Vooral in grotere organisaties levert deze informele vorm van kennismanagement een belangrijke bijdrage aan het snel en efficiënt werken. Het scheelt namelijk als je op het social platform van je bedrijf ontdekt dat je collega van een andere vestiging jouw nieuwe project al eerder heeft gedaan en dat je daardoor een groot gedeelte van zijn werk zo kunt overnemen.
De impact van het online leren is zo goed als zeker slecht nieuws voor educatieve uitgevers en traditionele opleidingsbureaus. Evenals de meeste beelden en teksten op internet is ook leermateriaal veelal gratis te verkrijgen. Zelfs prima functionerende Learning Management Systemen ten behoeve van het beheren en managen van het leerproces zijn als open source kosteloos te downloaden. Dat is bij elkaar een ideale omgeving om in een halen-en-brengencultuur educatieve content kosteloos uit te wisselen.
Beter nieuws is er voor de Google- en internetbedrijven. Want ook voor de marketingcampagnes die zich richten op het motiveren en ontwikkelen van mensen is een nieuw tijdperk aangebroken. Zo spendeert reeds 41 procent van de grotere commerciële organisaties het marketingbudget aan crossmediale en webbased campagnes.
Kortom, het traditioneel opleiden heeft z’n beste tijd gehad en de innovatievelingen onder ons zijn een boeiend en enerverend tijdperk binnengestapt.

Evert Hatzmann (evert.hatzmann@nestor.nl) is oprichter/directeur van het bureau Nestor (www.nestor.nl) dat actief is op het gebied van e-learningprogramma’s.

Platforms
Een learning-contentmanagementsysteem (LCMS) is een platform waarin cursusontwikkelaars e-learningmodules ontwikkelen. De functionaliteiten van een LCMS lijken op die van een contentmanagementsysteem (CMS). Het grootste verschil is dat in een LCMS specifieke leerinhoud wordt beheerd. De lesstof in een LCMS bestaat meestal uit meerdere leerobjecten (tekst, afbeeldingen, simulaties, video, geluid, toetsvragen) die op een webpagina kunnen worden afgespeeld. Vaak kan een cursist inloggen in het LCMS en hierin het lesmateriaal bekijken dat de ontwikkelaar heeft aangemaakt.
Een ander platform waarin een cursist online kan leren is een learningmanagementsysteem (LMS). In een LMS kunnen online cursussen worden gevolgd. Het LMS neemt de gehele administratie van de cursisten over. Het gaat dan met name om zaken als voortgangscontrole, rapportages, gebruikersrechten en betalingsmethoden. Maar het faciliteert ook andere vormen van leren zoals het weergeven van discussiefora, chatrooms en het weergeven van een virtueel klaslokaal.
Het cursusaanbod wordt geïmporteerd in het LMS. Dit gaat doorgaans via een gestandaardiseerde importmethode (Scorm of AICC). Een LMS heeft de mogelijkheid om alleen de cursusstructuur (bijvoorbeeld de modules, lessen en onderwerpen) te importeren. De bestanden zelf staan meestal op een externe server.
Een LCMS verschilt wezenlijk van een learningmanagementsysteem. Een cursusontwikkelaar kan in een LCMS leerinhoud (e-learningcontent ) ontwikkelen. Deze leerinhoud wordt als cursus geëxporteerd in een pakket bestanden volgens de Scorm- of AICC-methode, waarna het pakket kan worden ingelezen in een LMS met dezelfde methode. Het LMS presenteert vervolgens de cursus aan de cursist en administreert het leerproces.

Tools: E-learning was toch dood?
Met het inzetten van e-learning in bedrijven en organisaties heeft het tot voor kort niet erg willen vlotten. In het begin van dit millennium was even sprake van een korte opleving maar echt aanslaan deed het online leren tot op heden niet. Producties waren omslachtig en duur en digitaal lesmateriaal was op cd-rom moeilijk te updaten.
Internet biedt met zijn dynamische structuren beduidend meer flexibiliteit. Bovendien zijn er tegenwoordig authoringtools beschikbaar waarmee ontwikkelaars content snel, eenvoudig en relatief goedkoop kunnen aanmaken. Programmeurs zijn bij gebruik van die tools niet meer nodig in het ontwikkelproces. 
De rol van ICT’ers ligt eerder bij het faciliteren van de benodigde netwerken en bij het beschikbaar stellen van de juiste learning-(content)managementsystemen.

Voor reacties en nieuwe bijdragen van deskundigen: Henk Ester (h.ester@sdu.nl, 070-3780397)

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Neem contact met ons op!