Management

Cloud

Virtual desktop Infrastructure zelden een aanrader

1 november 2013

Microsofts licentievoorwaarden zijn al jaren onderwerp van kritiek van virtualisatie-experts. Eén van de stenen des aanstoots is, dat virtualisatie niet automatisch is toegestaan. De licentievoorwaarden van de Windows-desktopvarianten stipuleren dat deze alleen mogen draaien als een enkelvoudige instantie op fysieke hardware.

Ook de eis dat er altijd een licentie gekocht moet worden voor het apparaat dat een virtuele Windows-desktop draait, stuit op kritiek. Een thin client onder bijvoorbeeld Linux mag van Microsoft pas een virtuele Windows-desktop draaien, als voor dat apparaat bij Microsoft een Virtual Desktop Access-licentie is aangeschaft. Daarmee wordt gebruikers van thin clients een belangrijk kostenvoordeel ontzegd. En dan is er ook nog het probleem dat Microsofts licentievoorwaarden het gebruik van virtual desktop infrastructures (VDI) ontmoedigen. Die techniek om desktops te virtualiseren biedt dezelfde voordelen in beheer als bijvoorbeeld server based computing (SBC). Maar waar bij die laatste enkele tientallen gebruikers dezelfde Windows-installatie delen, heeft onder VDI iedere gebruikers zijn eigen Windows-installatie op de server. Dat biedt verschillende voordelen, die alle samenhangen met het feit dat in zo’n individuele oplossing de configuratie beter afgestemd kan worden op de wensen van de gebruiker. Doordat iedere gebruikers zijn eigen hoekje heeft op de server, kunnen collega’s elkaar ook niet meer dwars zitten met zware applicaties.

VDI is in de meeste scenario’s wel duurder dan SBC. Omdat deze oplossing meer van de hardware vraagt. Maar ook door de licentievoorwaarden die Microsoft hanteert. Wanneer medewerkers meer dan één apparaat gebruiken, worden de zaken in een VDI-setting bovendien snel onoverzichtelijk.

Wie wil vaststellen welke licentie nodig is voor een gevirtualiseerde desktopinfrastructuur, moet rekening houden met:

  • Het aangesproken besturingssysteem: legt het apparaat van de gebruiker contact met een desktop- of een serverbesturingssysteem?
  • Het eigendom: is het apparaat dat contact maakt van de zaak, of is het privé-eigendom?
  • De locatie: legt het apparaat contact vanuit het bedrijfsnetwerk of van buitenaf?
  • De processorarchitectuur: is het apparaat gebaseerd op Intels x86-architectuur of op een andere processorarchitectuur?
  • Het geïnstalleerde besturingssysteem: draait het apparaat dat contact zoekt onder een ‘normale’ Windows-versie, onder Windows RT of onder een ander besturingssysteem?

Dat klinkt ingewikkeld, en dat is het ook. Login Consultants heeft in zijn whitepaper een pagina of vijftien nodig om de verschillen in kaart te brengen.

Er is niet een simpele richtlijn te destilleren. Wel zijn er een aantal conclusies te trekken. Zo constateert Login Consultants dat VDI op basis van Windows met Software Assurance na een jaar of vier goedkoper wordt dan VDI op basis van Virtual Desktop Access-licenties. Dat staat nog los van de andere voordelen die Windows met Software Assurance biedt, zoals het recht nieuwe versies van de software kosteloos te installeren.

Daarnaast blijkt het een relatief dure grap om medewerkers van bedrijfswege een tweede apparaat bij hun virtuele desktop te geven. Windows SA en VDA geven wel zogeheten ‘roaming rights’, die medewerkers toestaan hun virtuele machine via internet vanaf een eigen apparaat te benaderen. Maar dat ‘eigen’ en ‘via internet’ zijn wel harde bepalingen. Een van bedrijfswege verstrekt tweede apparaat mag de virtuele machine pas benaderen als daarvoor een licentie is gekocht bij Microsoft. Tenzij het een apparaat onder Windows RT is, dan mag het zonder extra licentie. En met een eigen apparaat mag de medewerker zijn virtuele bedrijfsmachine wel van buitenaf, maar niet op kantoor via het bedrijfsnetwerk benaderen. Bedrijven die dat laatste mogelijk willen maken, dienen voor dat privé-apparaat een Companion Device Subscription License (CDSL) aan te schaffen.

Die licentievorm kent een opmerkelijke uitzondering in de situatie dat een organisatie zijn medewerkers in een virtual desktop infrastructure-scenario van bedrijfswege van een tweede apparaat met toegang tot hun virtuele machine willen voorzien. In dat scenario geeft CDSL alleen recht om de virtuele bedrijfs-pc met een apparaat met ARM- of andere niet-x86-processor te benaderen. Organisaties die hun medewerkers willen uitrusten met een tweede apparaat met een x86-processor, moeten voor dat apparaat een aparte Windows SA of VDA-licentie aanschaffen – net als voor het primaire apparaat. Een VDA-licentie – meestal goedkoper dan Windows SA – is in de regel zo’n 25 euro per jaar duurder dan CDSL. Windows onder SA en VDA hebben bovendien het nadeel dat ze maar voor één apparaat gelden. Met CDSL mogen onder één licentie meerdere apparaten – bijvoorbeeld een tablet én een smartphone - aansluiten op de virtuele machine op kantoor.

Kosten VDI kunnen snel oplopen

Los van de administratieve rompslomp die ontstaat, moet men natuurlijk ook kijken naar de directe kosten van de verschillende oplossingen. Voor bedrijven die al een Software Assurance-contract hebben, is dat een no-brainer zolang men medewerkers slechts met één apparaat toegang wenst te bieden. Dan kost de overstap op VDI aan licentiekosten slechts 12 dollar per jaar extra. Maar in alle andere scenario’s lopen de kosten van VDI dusdanig op dat men nog eens goed moet evalueren of men niet kan volstaan met SBC. In situaties waar de beperkingen van SBC geen probleem vormen, of niet zwaar wegen, zijn de voordelen ervan niet te negeren. Behalve de kosten is dat ook een veel simpeler licentiebeheer: voor een apparaat dat in de SBC-opzet een virtuele desktop op een server wil benaderen, is alleen maar een remote desktop services client access-licentie nodig. Als een gebruiker meer dan één apparaat wil gebruiken, koopt men simpelweg een licentie per gebruiker in plaats van per apparaat. Dat maakt de aanschaf zo’n 16 dollar duurder, en de jaarlijkse vergoeding nog een dollar of drie per gebruiker, ongeacht het aantal en het soort apparaten.

  Login Consultants brengt een interessant alternatief onder de aandacht voor organisaties die met SBC niet uit de voeten kunnen: de hosted personal server desktop. Technisch gezien lijkt dat sterk op SBC, met als cruciale verschil dat de sessiehost zo geconfigureerd wordt dat er slechts één gebruikerssessie gelijktijdig kan draaien. Op die manier blijven de voordelen van de SBC-oplossing in stand, terwijl toch meer maatwerk per gebruiker te bieden is en voorkomen wordt dat medewerkers last krijgen van zware verwerkingen die collega’s draaien.

De Hosted Personal Server Desktop valt wel wat duurder uit dan SBC. Door toegenomen overhead kan men ongeveer een derde minder virtuele servers op één fysieke server kwijt. Dat drijft niet alleen de hardwarekosten op, ook de omslag per desktop van de licentiekosten van de serversoftware valt in deze oplossing de helft duurder uit.

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Neem contact met ons op!