Development

Software-ontwikkeling

Universiteit Utrecht verandert digitale leeromgeving

2 april 2015

Op dit moment maakt de Universiteit Utrecht (UU) gebruik van de licentie van de leeromgeving van Blackboard, die is afgesloten via SURF. SURF heeft de licentie – die ook geldt voor diverse hogescholen en onder meer de TU Delft, de UvA en Wageningen UR – per eind 2015 opgezegd. Vanaf die tijd worden de onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk voor het verzorgen van een licentie voor een digitale leeromgeving. “Omdat het gaat om een overheidsopdracht waarvan de geraamde waarde meer dan 207.000 euro bedraagt moet er Europees worden aanbesteed. Omdat wij een programma van eisen en wensen dienen op te stellen en onderzoek moeten doen naar welke producten er in de markt zijn die daaraan voldoen, hebben wij besloten om informaticastudenten een prototype te laten ontwikkelen van de digitale leeromgeving van de toekomst”, vertelt Davey van der Heijden, projectleider Elektronische Leeromgeving binnen het programma Educate-it van de Universiteit Utrecht.

Volgens Van der Heijden is er behoorlijk wat onvrede over de huidige leeromgeving, vooral bij docenten die al wat verder zijn met de integratie van online- en campusonderwijs. In Blackboard zouden te veel functionaliteiten zitten, waardoor het systeem te onoverzichtelijk wordt en gebruikers niet alle functionaliteiten weten te vinden. Daarnaast wil de UU een leeromgeving die draait om het concept ‘blended learning’: het combineren van regulier en online onderwijs. Daarbij speelt het idee van de ‘flipped classroom’ een grote rol. Hierbij plaatsen docenten linkjes naar literatuur, colleges of opdrachten in het systeem, zodat in de daadwerkelijke contacturen meer aandacht is voor vragen of verdieping.

Didactisch zet de UU dus in op blended learning. Maar hoe moet de nieuwe elektronische leeromgeving er in theorie uitzien? “Om dit duidelijk te maken verwijs ik vaak naar de burcht-metafoor van SURF. Deze metafoor vergelijkt de leeromgeving met een middeleeuws landschap met burcht en open stad. In de burcht wordt alles veilig opgeslagen en beheerd door de universiteit zelf, zoals studentinformatiesystemen en roosteringssystemen. Daaromheen heb je de open stad, waar alle middelen worden gebruikt die het werken en leren ondersteunen. Daaronder vallen de leeromgeving, maar ook tools die door docenten zelf worden gekozen, zoals Dropbox, YouTube, en onderwijsspecifieke tools als Turnitin en Feedbackfruits. Daar weer omheen heb je het landschap, wat zich grotendeels afspeelt buiten de universiteit, waar studenten en docenten informatie delen via bijvoorbeeld Facebook en Twitter. Hier hebben we niet goed zicht op, maar er wordt wel gebruik van gemaakt”, verduidelijkt Van der Heijden.

Vanuit die visie heeft de UU omschreven hoe ze de digitale leeromgeving van de toekomst ziet en met welke andere systemen die digitale leeromgeving moet kunnen werken. Het systeem krijgt dus een heel andere functie dan het had met Blackboard. Er is gekozen voor een digitale leeromgeving die koppelingen maakt met systemen en applicaties die zich in een bepaalde taak hebben gespecialiseerd, in plaats van een systeem dat alle faciliteiten zelf in huis heeft. “Wat wij willen is nog niet beschikbaar op de markt. Daarom besloten we zelf een prototype te ontwikkelen om de genoemde didactische en theoretische concepten in de praktijk te testen. Zo is HippoCampus 1.0 geboren”, vertelt Van der Heijden.

Afstudeerproject

In februari 2014 startte een groep van elf derdejaars informatica- en wiskundestudenten aan het project, dat meetelde voor hun afstuderen. Zij waren ieder 400 uur (20 uur per week) bezig om het prototype te ontwikkelen. De belangrijkste uitgangspunten bij het ontwikkelen van het systeem waren gebruiksvriendelijkheid voor studenten en docenten, uitbreidbaarheid (ook met externe diensten en naar mobiele apparaten) en feedbackmogelijkheden. Al snel bleek dat de scope te breed was. Er moesten te veel functionaliteiten worden gebouwd, wat te tijdrovend was. Uiteindelijk hebben de studenten gefocust op een aantal basisfaciliteiten en hebben ze de overige faciliteiten alleen beschreven in de documentatie. Er is ook nog geen koppeling gemaakt met achterliggende systemen, zoals rooster- en cijferadministratiesystemen.

Docenten kunnen in HippoCampus 1.0 niet alleen linkjes, filmpjes op YouTube, online cursusmateriaal en opdrachten toevoegen, zij zijn ook in staat om de voortgang van hun studenten bij te houden door middel van online zelftoetsing. Daarnaast is er ruimte voor vragen en discussies tussen student en docent, maar ook tussen studenten onderling. HippoCampus 1.0 werkt als een soort blokkensysteem waarbij gebruikers zelf kiezen welke systemen en applicaties ze willen integreren in hun omgeving: van Dropbox tot YouTube, van onderwijsroosters tot studentenmail.

De nieuwe leeromgeving is dit najaar getest bij drie vakken die gegeven worden aan de UU: leren doceren in het hoger onderwijs, toegepaste cognitieve psychologie en orgaansystemen. “We zijn op zoek gegaan naar docenten die voorop lopen in blended learning en die openstaan voor het uitproberen van nieuwe software. Over het algemeen reageerden ze heel enthousiast. Wel misten ze nog bepaalde functionaliteiten en was er sprake van enige downtime en diverse bugs. De gebruikelijke kinderziektes dus. Het grootste pluspunt vonden ze dat de leeromgeving schoner oogde en dus overzichtelijker was dan Blackboard”, vertelt de projectleider.

Naast de elf keer 400 manuren investeerde de universiteit zo’n 10.000 euro om de studenten het project te laten uitvoeren. “Het uitvoeren van een dergelijke opdracht bij een commerciële partij had wellicht in minder manuren uitgevoerd kunnen worden, de kosten zullen echter aanzienlijk hoger hebben gelegen”, vertelt Van der Heijden. “Hippocampus 1.0 is een interessant product gebleken met nieuwe inzichten in de elektronische leeromgeving van de toekomst die we zonder dit project niet hadden kunnen verwerven. Het prototype heeft tevens veel publiciteit opgeleverd ten behoeve van het imago van de UU als innoverende universiteit. Deze beide uitkomsten zijn voor de UU zeer waardevol gebleken.”

Tweede projectgroep

Begin februari van dit jaar is een tweede groep van start gegaan met het verder ontwikkelen van het systeem. In de tweede projectgroep zitten acht informatica- en wiskundestudenten. Zij beginnen vanaf nul met HippoCampus 2.0, want de code wordt niet overgenomen. De universiteit had de eerste projectgroep voorgesteld om te werken met de opensourcesoftware Moodle, maar de keuze aan hen gelaten. “En dan blijkt dat ontwikkelaars enorm eigenwijs zijn en gaan voor hun eigen ding. Nu hebben we het dus maar opgelegd”, lacht Van der Heijden. De software voor elektronische leeromgevingen telt wereldwijd al meer dan 60 miljoen gebruikers in zo’n 65.000 scholen in 216 landen. “Het voordeel van Moodle is dat er al heel veel code is geschreven voor andere leeromgevingen en dat onze studenten niet het wiel opnieuw hoeven uit te vinden. Bovendien kunnen ze leren van de ervaringen die zijn gedocumenteerd door de eerste groep.”

De groep werkt volgens het Scrum-principe, met steeds korte sprints. De uitdaging voor HippoCampus 2.0 is: ontwerp een centraal systeem dat goed te koppelen is aan externe tools. Nu zijn dat bijvoorbeeld Dropbox of YouTube, maar over een paar jaar kunnen dat weer heel andere programma’s zijn die nu nog niet eens bestaan. “Wij dwingen studenten om nu al na te denken over hoe het systeem straks te koppelen is met software die nog niet ontwikkeld is. Zij moeten daarvoor een dataset ontwikkelen.”

Aanbesteding verplicht

De andere hogescholen en universiteiten die de licentie op Blackboard eveneens zien verstrijken aan het eind van dit jaar zijn niet betrokken bij de ontwikkeling van HippoCampus. Wat niet wil zeggen dat zij niet worden geïnformeerd over de ervaringen met het project. Er is een demo beschikbaar gesteld en tijdens Dé Onderwijsdagen heeft de UU haar ervaringen gedeeld met andere opleidingen en faculteiten, waar veel interesse was voor HippoCampus. “De meeste onderwijsinstellingen zullen net als wij toch een Europese aanbestedingsprocedure moeten doorlopen. Wij zijn wettelijk verplicht om met de partij in zee te gaan die de opdracht gegund krijgt. Ons eigen HippoCampus zou op dit moment geen schijn van kans maken. Al is het maar omdat het gemaakt is door studenten. En eigenlijk is dat ontzettend jammer…”

Mocht HippoCampus uiteindelijk toch de digitale leeromgeving worden waar iedereen naar op zoek is, dan zal de UU het ook beschikbaar stellen aan andere onderwijsinstellingen. “Dat is echt nog toekomstmuziek. We zullen dan op zoek moeten naar een marktpartij die het stokje van ons over wil nemen, want het is nu eenmaal niet onze corebusiness. Wij leggen alleen de basis; als het levensvatbaar is, zoeken we toenadering tot de markt voor de doorontwikkeling, dienstverlening en het beheer.”

 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!