Informatiesamenleving legt basis voor nieuwe tweedeling

23 maart 2000
Leidt de informatiesamenleving tot een grotere ongelijkheid tussen mensen? Iedereen zal uiteindelijk
wel een PC met een Internet-aansluiting hebben, zegt
professor dr. Jeroen van den Hoven. Maar het gaat erom
wat men ermee kan, wat de functionaliteit is van
de informatievoorziening.


Jeroen van den Hoven
Toen een Rotterdamse woningbouwvereniging enige jaren geleden het aanbod van beschikbare huurwoningen via het Internet toegankelijk maakte als aanvulling op het traditionele krantje, konden mensen met toegang tot
het Internet de lijst met nieuwe
woningen op hun gemak bekijken achter hun PC en zich voor een huis aanmelden op het moment dat bij anderen het krantje nog in de bus moest vallen. De econoom John Kenneth Galbraith merkte ooit met gevoel voor understatement op ’dat het buitengewoon informatief is om kennis te kunnen nemen van de stand van zaken’. Nu kunnen we daar gerust aan toevoegen dat ’het buitengewoon informatief is om kennis te kunnen nemen van de stand van zaken voordat iemand anders dat doet’.
Het denken over gelijkheid en sociale rechtvaardigheid in de informatiemaatschappij moet zich niet alleen richten op gelijke verdeling van PC’s, Internet-access en toegang tot informatie, maar vooral ook op gelijktijdigheid en de functionaliteit van informatievoorziening in het leven van burgers.
In kritische uiteenzettingen over de informatiesamenleving wordt een terechte zorg over de rechtvaardige verdeling van toegang tot die samenleving tot uitdrukking gebracht. Men meent dat een regelrecht regime van ’informatie-apartheid’ dreigt en dat de kloof tussen ’information rich and information poor’ groter wordt. Het marktdenken, dat vergaande privatisering van overheidsdiensten, commercialisering van informatievoorziening en liberalisering van de telecommunicatiemarkt propageert, zal niet bijvoorbaat in het teken staan van het scheppen van gelijke kansen.
Wereldwijd lijkt dat althans zeker niet het geval. De United Nations hebben de ongelijkheid en onevenwichtige ontwikkeling in een door globalisering en ICT gedreven wereldeconomie in beeld gebracht. In ’Our Global Neigbourhood’ (1995) stelde de United Nations al dat er grote ongelijkheid wereldwijd in toegang tot informatie bestaat en in een recent rapport, het UNDP-rapport ’Globalization with a Human Face’ (1999), wordt vastgesteld dat de mogelijkheden voor ontwikkeling van en via Internet fabuleus zijn, maar dat de ongebreidelde werking van de vrije markt geen garanties biedt voor grotere mondiale gelijkheid en sociale rechtvaardigheid.
Geografie in een tijdperk van ’death of distance’ verdeelt de wereldbevolking nog steeds: 70 procent van de host-computers bevindt zich in de USA, een modem kost in India ongeveer vier keer zoveel als in de USA, elk van de lezers van Automatisering Gids heeft thuis waarschijnlijk meer bandbreedte dan een kleine universiteit in India. In Thailand zijn meer mobiele telefoons dan in geheel Afrika. In Afrika zijn nog steeds landen niet op het Internet aangesloten. Zuid-Azië waar 23 procent van de wereldbevolking woont, heeft minder dan 1 procent van de Internet-gebruikers.
Opleiding, geld, sexe en leeftijd zijn naast locatie zoals bekend ook belangrijke bepalende factoren voor toegang. 30 Procent van de Internet-gebruikers heeft een HBO of universitaire opleiding. Een computer kost de gemiddelde Amerikaan een maandinkomen, maar de gemiddelde inwoner van Bangladesh acht jaarinkomens. In China en Japan is ongeveer één op de zes Internet-
gebruikers vrouw, en de meeste Internet-gebruikers wereldwijd zijn jonger dan 30 jaar.

Paradox
De US Chamber of Commerce constateert in een omvangrijke studie getiteld ’Falling through the Net: Defining the Digital Divide’ (1999) dat steeds meer Amerikanen toegang krijgen tot moderne communicatie- en informatietechnologie, maar ze stelt eveneens dat deze vooruitgang niet gelijk over de bevolking is verdeeld, en dat geldt met name voor Internet-toegang. De algemene conclusie luidt dan ook ’dat dit patroon betekent dat de ’haves’ alleen maar informatierijker zijn geworden in 1998, terwijl de ’have nots’ verder achterop zijn geraakt’.
Opleiding en inkomen zijn volgens het Amerikaanse onderzoek de belangrijkste determinanten van de digitale tweedeling. Landen waarin deze opleidings- en inkomensongelijkheid groot zijn, zullen naar verwachting grotere ongelijkheid te zien geven als het gaat om toegang tot het Internet dan landen waarin deze verschillen kleiner zijn.
Een recente Nederlandse voorstudie van het Sociaal Cultureel Planbureau, waarvan de volledige versie eind april 2000 verschijnt, bevestigt het algemene beeld dat inkomen en opleiding, leeftijd en geslacht belangrijke determinanten zijn voor toegang tot Internet. Surfers zijn twee keer zo vaak man, jonger dan 50, hoogopgeleid en behorend tot de hoogste inkomensgroepen. Anders dan in het eerder genoemde Amerikaanse rapport van de US Chamber of Commerce zijn de Nederlandse onderzoekers terughoudend met de conclusie dat er zich een digitale kloof aftekent. Zij geven daarvoor drie argumenten.
Ten eerste veronderstelt een tweedeling een grens die maar met moeite overbrugd kan worden. Maar zo stellen zij, degene die vandaag nog geen PC-bezitter is, is dat volgend jaar waarschijnlijk wel. De grens lijkt geen barrière. Ten tweede zou bezit van moderne ICT-middelen niet nodig zijn voor het verwerven van inkomen, omdat een aanzienlijk deel van de arbeid niet om digitale scholing vraagt. Ten derde, is er volgens de onderzoekers vrijwel altijd een alternatief voor ICT.
Ik denk dat er in het algemeen problemen kleven aan empirische studies zoals deze naar de ’digital divide’. In de eerste plaats moet je weten wat je moet meten. PC’s Internet-abonnementen tellen is misschien niet de kern van de zaak en in de tweede plaats zijn de sociale en economische effecten van ICT uitermate lastig in kaart te brengen.
Zo is er jarenlang gediscussieerd over de zogenaamde productiviteitsparadox, dat is de merkwaardige constatering dat de massale en grootschalige investeringen in ICT niet leidden tot productiviteitsstijging. Die sceptische fase lijkt nu achter de rug. De grote en snelle economische groei wordt thans unaniem toegeschreven aan de massale en efficiënte communicatie en transacties via Internet.
Een dergelijk paradoxaal effect zou zich ook kunnen voordoen bij het aantonen van sociaal-economische ongelijkheid: lastig om in een bepaalde fase van de ontwikkeling van de technologie hard te maken op basis van de beschikbare gegevens, maar, evenals in het geval van de productiviteitsparadox, niet aannemelijk om te veronderstellen dat effecten wat dat betreft op termijn zullen uitblijven.
Op de argumenten valt, zoals de opstellers zelf ook aantekenen, het een en ander af te dingen. Zo zal het aantal banen waarvoor geen computerkennis nodig is drastisch afnemen en zal de beloning in ICT-gerelateerde banen naar verwachting beter zijn. Ook het argument van alternatieven voor ICT zal weldra achterhaald zijn. Zoeken naar werk en solliciteren is nu al vaak een online-aangelegenheid en de alternatieven zijn in vergelijking met de IT-enabled-varianten zo traag, omslachtig en ineffectief dat ze de naam van alternatief niet waardig zijn en er vaak toe leiden dat men achter het net vist.
Rest het punt dat iedereen in Nederland zich wel een PC met Internet abonnement zal kunnen veroorloven in de komende jaren. Om de kracht van dat argument te beoordelen moeten we het vraagstuk van sociale rechtvaardigheid in de informatiesamenleving op een fundamenteler niveau beschouwen.

Primair goed
Informatie speelt een vitale rol in het leven van individuele burgers. Ieder individu heeft informatie nodig om volwaardig in de samenleving te kunnen participeren. Mensen hebben informatie nodig om effectief hun voordeel te kunnen zoeken in markten, om te kunnen deelnemen in democratische beslissingsprocessen, om organisaties en instanties verantwoordelijk te kunnen stellen, om hun eigen verplichtingen te kunnen nakomen, goede keuzen te kunnen maken over hun leven en over dat van hun kinderen, hun leven op rationele manier te kunnen inrichten. De moderne mens vat zichzelf steeds meer op als rationele planner en als informatieverwerker.
Toegang tot informatie lijkt daarmee een aantal eigenschappen te bezitten die de belangrijkste politieke filosoof van de 20-ste eeuw John Rawls, hoogleraar aan Harvard University, aan zogenaamde ’sociale primaire goederen’ (social primary goods) toekent. Dat zijn de goederen, waarvan iedereen meent dat iedereen ze nodig heeft. Het zijn ’all-purpose goods’ die iedereen zich wenst, los van wat hij verder in het leven wil en los van wat zijn opvatting van het goede leven is. Goederen waarvan ieder in principe liever meer dan minder heeft en die nauw verbonden zijn met wat het betekent om een rationeel en autonoom persoon te zijn.
Rawls stelt dat primaire goederen geïdentificeerd kunnen worden door te vragen ’welke dingen in het algemeen noodzakelijk zijn als sociale voorwaarden en middelen om een persoon in staat te stellen zijn specifieke opvatting van het goede na te streven en gebruik te maken van zijn vermogens van rationaliteit en redelijkheid’. De toegang tot informatie komt op basis van dit criterium zeker voor de status van primair goed in aanmerking. Een dergelijke principiële benadering is hier op zijn plaats om op goede gronden te kunnen bepalen welke informatie zo belangrijk is dat de overheid in het toegankelijk maken en waarborgen van de kwaliteit ervan een bijzondere taak heeft.
In de ethiek en de politieke filosofie van de laatste dertig jaar is in navolging van John Rawls een stroom publicaties over sociale en verdelende rechtvaardigheid verschenen. Er zijn tot nu toe echter nog geen pogingen ondernomen om de resultaten van meer dan drie decennia theorievorming op dit terrein in direct verband te brengen met de nieuwe sociale kwestie van de informatiesamenleving.
Het beleid van minister Van Boxtel en de experimenten ten aanzien van de snelle en maximale ontsluiting van overheidsinformatie via Internet (OL 2000, www.overheid.nl), zijn te zien als politieke erkenning van het feit dat informatie een zeer groot goed is voor mondige burgers. Maar als het zo is dat de overheidsinformatie van groot belang is voor moderne burgers en dat ze volledig en makkelijk toegankelijk moet worden gemaakt, dan moet dat ook op een wijze geschieden die geen nieuwe ongelijkheid introduceert of bestaande ongelijkheden bestendigt of verdiept. In die zin is het goed dat de plannen van de minister op dat punt radicaal zijn en ze de ontsluiting in een kort tijdsbestek beogen te realiseren.

Lucratief
Het politiek filosofische denken is nog niet geheel toegesneden op de overdenking en algemene beschouwing van ongelijkheid in een informatiesamenleving. Zo is de blik meestal in eerste instantie – zoals in het SCP-rapport – gericht op de verdeling van uitkomsten gemeten in termen van ’aandelen in primaire goederen’. De nobelprijswinnaar economie 1998, Amartya Sen, is echter van mening dat gelijke verdeling van ’shares of primary goods’ (PC’s, toegang tot Internet) onrechtvaardig kan zijn. Daarin bestaat zijn kritiek op Rawls. Brood gelijk verdelen onder de aanwezigen kan onrechtvaardig zijn omdat zich onder de aanwezigen ook zieken, zwangere vrouwen en kinderen in de groei bevinden. Wat voldoende is om de een te voeden is misschien onvoldoende om de ander in leven te houden. We zullen niet alleen moeten kijken naar gelijke toegang tot de elektronische snelweg, maar vooral naar de ’functionaliteit’ daarvan in het leven van burgers, naar hoe het hun vermogen om in verschillende opzichten te functioneren beïnvloedt.
Dit inzicht over gelijke verdeling van toegang wordt ook wel verwoord door de onderzoekers van het Sociaal Cultureel Planbureau. Zij stellen dat de verschillen en ongelijkheden in de informatiesamenleving vooral gelegen zullen zijn in soorten gebruik van Internet, computervaardigheden en het culturele kapitaal dat mensen nodig hebben om uit de beschikbare gegevens relevante informatie te halen.
Nieuwe economen leggen er vaak de nadruk op dat informatie een ’non-rivalous good’ is, dat wil zeggen: als iemand informatie gebruikt betekent dat niet dat anderen die niet meer kunnen gebruiken. Daarin onderscheidt ’informatie’ zich van benzine en boterhammen.
Maar even belangrijk is de aandacht voor informatie als ’positioneel goed’. Haar specifieke waarde ontleent zij voor iemand of een groep in veel gevallen aan het feit dat anderen er (nog) niet over kunnen beschikken: beurskoersen, weersvoorspellingen, informatie over mislukkende graanoogsten, fusies en overnames, gif in de grond, stijgende werkloosheid, criminaliteitscijfers in een wijk, subsidies. Dat is allemaal interessant om te weten, vooral als je
de eerste bent.
Het zal in de toekomst vaak gaan om het kleine beetje meer dat ons van anderen onderscheidt. Het voordeel dat we met deze informatie kunnen behalen staat vaak niet in verhouding tot de omvang van de informatievoorsprong. Het verschil tussen
de gouden en de zilveren medaille
kan slechts een honderdste seconde bedragen, maar de kampioen mag niettemin de lucratieve sponsorcontracten tekenen. De informatiemarkt is een ’winner take all market’ bij uitstek.

Eigenaardigheden
Het traditionele gelijkheidsdenken, zoals we dat ook vinden in de politieke filosofie van John Rawls en anderen, schenkt weinig aandacht aan die positionaliteit en aan de onderlinge verschillen tussen maatschappelijke (informatie)posities. Die verschillen kunnen er volgens hem immers voor zorgen dat de samenleving als geheel productiever is en dat zelfs de degenen die relatief in de slechtste posities verkeren daar per saldo van profiteren.
De positionaliteit van informatie maakt echter dat onderlinge verschillen er wel toe doen. Bij de verdeling van boterhammen kan het me niet veel schelen hoeveel iemand anders er krijgt, zolang ik genoeg heb. Bij kogels en informatie wordt mijn ’genoeg’ bepaald door de hoeveelheid waar anderen over kunnen beschikken. De mate van ongelijkheid die we bereid zijn te accepteren in informatiesamenlevingen zou door het positionele karakter van informatie daarom wel eens minder groot kunnen zijn dan in samenlevingen waarin informatie een minder prominente rol speelt.
Ons denken over sociale en verdelende rechtvaardigheid moet zich daarom ook nadrukkelijk bezighouden met eigenaardigheden van de nieuwe (cyber)economie, zoals ’pad-afhankelijkheid’, ’self-organizing web monopolies’ en ’winner take all markets’ waarin onrechtvaardige verschillen zich onomkeerbaar zouden kunnen bestendigen. Iedereen zal zich op termijn wel een PC met Internet-toegang kunnen veroorloven, maar de vraag is welke rol die in ieders leven zal kunnen spelen.
Ongelijkheid dient bovendien niet uitsluitend in termen van gelijke verdeling te worden opgevat, maar eveneens in termen van uitsluiting en erkenning. Zoals de Britse socioloog Anthony Giddens terecht opmerkt neemt ongelijkheid vaak de vorm aan van uitsluiting op basis van een bepaalde identiteit, een identiteit die bovendien steeds vaker in een ICT-omgeving (database, informatiesysteem) wordt gedefinieerd en vastgelegd. Dat betekent voor het ICT-beleid dat het niet alleen om e-mail-faciliteiten gaat, Internet-tijd, bandbreedte, snelheid, portabiliteit, maar ook om de erkenning van een bepaalde identiteit en de daarmee verbonden informatiepositie.
Ook het belang van de symbolische dimensie van toegang mag niet uit het oog worden verloren: politieke aandacht voor rechtvaardige verdeling van toegang sterkt burgers in de overtuiging dat iedereen deel uitmaakt van de nieuwe informatiesamenleving en impliceert erkenning voor dat aspect van het menszijn dat in de toekomst steeds meer op de voorgrond zal treden, name-lijk dat van informatieverwerker en rationele kiezer. Een florerende en robuuste digitale economie en een rechtvaardige samenleving gaan hand in hand.











Jeroen van den Hoven is hoogleraar Filosofie van Informatie- en Communicatietechnologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Op donderdag 13 april 2000 aanvaardt hij zijn hoogleraarschap met de rede ’Wadlopen bij opkomend tij. Denken over Ethiek en Informatiemaatschappij.’ Het onderzoeksprogramma Filosofie van ICT van de Faculteit der Wijsbegeerte wordt gesponsord door Getronics.
 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Laat de klantenservice je terugbellen!