Grote groei Storage Area Networks verwacht

23 maart 2000

Richard Keijzer

Als bedrijven niet oppassen, komen ze om in de informatie. De 24-uurs economie zorgt voor een doorlopende stroom van nieuwe gegevens, die allemaal moeten worden opgeborgen. Het gevaar is daarbij niet alleen dat de beschikbare opslagmedia vol raken, maar bovenal dat het bedrijf door de bomen het bos niet meer kan zien. Een denkbare informatie-overvloed wordt daardoor een informatiegebrek. Een Storage Area Network (SAN) is de oplossing voor het probleem, melden de aanbieders, zonder al zo’n systeem te hebben ontwikkeld.




Bedrijven die zakendoen via Internet, krijgen 24 uur per etmaal te maken met (potentiële) afnemers. Mensen komen langs in de virtuele winkel, vragen daar om informatie of plaatsen bestellingen. „Wij zien een versnelde ontwikkeling door een combinatie van ’oude’ en ’nieuwe’ E-handel”, zegt analist Keith Vollmer van Giga Information Group.
Onder die ’oude’ E-handel verstaat Vollmer het zakelijke berichtenverkeer tussen bedrijven onderling, zoals dat wordt afgewikkeld door het versturen van EDI-berichten. De ’nieuwe’ variant is de E-handel via Internet, veelal geïnitieerd door particulieren. Volgens Vollmer zorgen beide vormen van elektronische handel voor een sterke stijging van de sector. „E-handel is tegen het jaar 2002 goed voor een wereldwijde omzet van 3800 miljard dollar. Via Internet zullen bovendien grote aantallen EDI-berichten blijven worden verzonden”, zo meent Vollmer.

Ieder verzonden bericht zorgt voor een toename van de hoeveelheid gegevens die een bedrijf moet opslaan. „Nog niet zo lang geleden kon de opslagbehoefte van een gebruiker nog worden uitgedrukt in megabytes. Tegenwoordig heeft echt iedereen al een hoeveelheid gigabytes in huis. Bij echt grote gebruikers dienen we al te spreken van terabytes en over twee jaar overschrijden enkele grote gebruikers al de grens van 1 petabyte”, aldus Scott Drummond, hoofd van de divisie Storage Area Networks van IBM.
Bij het tellen van de hoeveelheid gegevens die een bedrijf in zijn bezit heeft, wordt onderscheid gemaakt tussen de online opslag en de zogeheten nearline opslagsystemen. Die laatste vormen de schakel tussen offline opslag (magneetbanden die ergens ver weg in een kluis liggen) en online opslag. De nearline systemen hebben meestal de vorm van een tape-jukebox dan wel robot. Zo’n apparaat is in staat, de gevraagde gegevens binnen enkele tientallen seconden aan te bieden aan degene die ze nodig heeft.
Op dit gebied is sprake van een informatiehoeveelheid die kan worden uitgedrukt in petabytes. „Nog even”, zegt Drummond, „en dan hebben we de volgende stap, de exabytes, ook als maat. Ik verwacht dat in de loop van dit jaar de eerste gebruiker met een opslaghoeveelheid van 1000 petabytes zich zal aandienen.”
Sinds een aantal jaar is er het bedrijf firma Exabyte actief, een bedrijf uit Colorado dat zich specialiseert in de levering van systemen voor opslag. Drummond: „Toen de firma begon, een paar jaar geleden, was de term exabyte slechts bekend bij een handjevol wetenschappers. Nu is dat net zo bij de volgende twee gestandaardiseerde grootheden, de zettabyte (ZB) en de yottabyte (YB). Ik vraag me af hoe lang het nog duurt voordat een bedrijf zijn informatiehoeveelheid uitdrukt in YB.”

Om al die gegevens goed te kunnen bijhouden, is speciale apparatuur nodig. Vroeger was het beheren van grote hoeveelheden gegevens niet zo moeilijk, omdat sprake was van een centrale opslag op een mainframe. Met de komst van de client/server-architectuur verdween de centrale opslag, de gegevens werden her en der opgeslagen.
De pendule zwaait nu weer de andere kant op, in de richting van een centrale opslag. In feite is de opslagcapaciteit fysiek gezien nog steeds door het hele bedrijf heen verspreid, alleen zorgt een snel netwerk ervoor dat alle afzonderlijke opslageenheden met elkaar zijn verbonden tot een hecht geheel, een Storage Area Network (SAN).

In theorie is een SAN niet zo moeilijk te omschrijven: een snel netwerk dat door het hele bedrijf loopt en waarop alle systemen van dat bedrijf zijn aangesloten. In de praktijk leidt dit alleen maar tot meer vragen: wat voor netwerk wordt er gebruikt, hoe ziet de topologie er uit en waar gaan de vertakkingen heen? Welke opslagsystemen vinden een plaatsje in het netwerk enzovoort.
De aanbieders proberen elk met ’de’ technologie voor een SAN op de proppen te komen, hetzij apart hetzij in vereniging. In het laatste geval wordt veel werk verzet door de Storage Network Industry Association, ofwel de Snia. Deze club vertoont een wisselende samenstelling en herbergt de meeste grote spelers op SAN-gebied.
Het duurt geruime tijd, voordat een bedrijf de beschikking kan hebben over een SAN. Er moet naar de nieuwe situatie worden toegewerkt en in de tussentijd wordt ook nog gewerkt met andere technologieën. De belangrijkste daarvan is de Network Attached Storage (NAS), de verzamelnaam voor opslagsystemen die zijn verbonden aan het netwerk.

Het verschil tussen NAS en SAN is, dat de opslagsystemen bij de tweede variant niet meer afzonderlijk kunnen worden benaderd. Ze maken deel uit van het ’opslagweefsel’ binnen een organisatie. Dit Storage Fabric bestaat uit diskeenheden, magneetbandstations en het intelligente en snelle netwerk.
Bij NAS functioneert het netwerk alleen als draadje tussen de computer en een van de aangesloten diskdrives. De oudste techniek is overigens de directe koppeling, waarbij elke computer beschikt over zijn eigen opslageenheid.
Uit cijfers van IDC komt naar voren, dat de groei bij direct op de computer aangesloten diskdrives de komende jaren minimaal is. Dit type apparatuur is jaarlijks goed voor een bedrag rond de 15 miljard dollar omzet. De hoeveelheid geld die aan SAN’s wordt uitgegeven, stijgt daarentegen explosief. Ook de bedragen die worden besteed aan Network Attached Storage (NAS) blijven toenemen, zij het niet zo spectaculair.
Door deze ontwikkelingen daalt het aantal van direct aangesloten diskdrives van bijna 90 procent in 1998 tot net iets meer dan de helft in het jaar 2002. Dan zal 37 procent van de totale uitgaven worden besteed aan de aanschaf van SAN’s.

Volgens kenners is dit jaar van cruciaal belang. Men heeft 2000 al uitgeroepen tot het jaar van het SAN, om aan te geven dat de grote doorbraak nu moet komen. Gezien het grote aantal partijen dat bij de zaak is betrokken en die allemaal met elkaar in overeenstemming moeten raken, lijkt een doorbraak erg moeilijk.
Het marktsegment van de SAN’s wordt bevolkt door twee groepen aanbieders. Enerzijds de aanbieders van opslagsystemen, anderzijds de makers van snelle netwerken en de besturingssoftware daarvoor. Want alleen een snel netwerk is niet voldoende om een SAN te creëren. De infrastructuur moet intelligent zijn. Over dat laatste is men het best eens, alleen is het nog de vraag hoe die intelligentie van het netwerk er uit moet komen te zien.
In presentaties wordt het SAN meestal voorgesteld door een wolkje, net zoals dat gebeurt met Internet waarvan geen enkel mens meer weet hoe de topologie er nu precies uitziet. Er kan in de wolk sprake zijn van bijvoorbeeld een ringnetwerk, een ster-topologie of een geschakeld netwerk. Dat laatste verdient de voorkeur, zo blijkt uit de gegevens van deskundigen en marktonderzoeksbureaus.
De opbouw van het SAN vertoont dan zeer veel overeenkomsten met die van het Internet. Een dergelijke structuur is, vanwege zijn vermogen tot zelfherstel, zeer betrouwbaar. Een storing in een bepaalde afdeling van een bedrijf zal er niet toe leiden dat andere delen van de onderneming verstoken raken van hun gegevens.
Het niet op tijd kunnen beschikken over gegevens kan een bedrijf veel geld kosten. De schade die hierdoor ontstaat is vergelijkbaar met de kosten die het gevolg zijn van de uitval van een computersysteem. Zo’n periode van ’downtime’ kost minimaal 1000 euro per uur. Vaak raakt een onderneming een veelvoud van dat bedrag per uur kwijt.
Zelfs als er niets bijzonders gebeurt, is de opslag van gegevens een dure aangelegenheid. In een omgeving waar wordt gewerkt met Unix of Windows NT is bijvoorbeeld één arbeidsplaats per 250 gigabyte nodig om alles in goede banen te leiden. Deze verdeelsleutel geldt, wanneer de gegevens gedecentraliseerd staan opgeslagen. Kiest men voor een meer centrale opslag, dan is één werknemer in staat 500 gigabytes te beheren.
IBM schermt graag met het geringe aantal personen dat nodig is om grote hoeveelheden gegevens in een mainframe-omgeving te beheren. Bij gebruik van een centraal groot systeem kan één medewerker ervoor zorgen dat een hoeveelheid van minimaal 1000 gigabytes goed wordt bijgehouden. Er zijn overigens ook rekencentra, waar een persoon het toezicht heeft op een gegevensverzameling van 7 terabytes.
Leverancier van opslagsystemen EMC laat jaarlijks een onderzoek doen onder een groot aantal IT-managers. Er werd daarbij onder andere gevraagd naar de belangrijkste redenen waarom een bedrijf steeds meer gegevens binnen zijn muren krijgt.
Voor driekwart van de managers is dat het gebruik van Internet en het aanleggen van eigen gegevensvoorraden. In het laatste geval gaat het vooral om data warehouses, georganiseerde kopieën van gegevens uit de dagelijkse bedrijfspraktijk die worden gebruikt voor het extraheren van trends. Vaak zal een aantal keren per jaar zo’n data warehouse worden aangelegd om steeds met de meest actuele gegevens te kunnen werken.
Het onderwerp E-handel wordt in 49 procent van de gevallen genoemd als een sterke stimulans voor de groei van de hoeveelheid data, op de voet gevolgd door ’het betreden van nieuwe markten’. Hieronder wordt verstaan het uitbreiden van de bestaande activiteiten van een onderneming, waarvoor veel (markt)onderzoek moet worden gedaan. De resultaten van dat onderzoek moeten worden opgeslagen.

Bijna alle grote organisaties houden zich bezig met het migreren van gegevens, dat wil zeggen het transporteren van data van het ene platform naar het andere. Slechts 1 procent van de ondervraagde grote bedrijven doet hieraan niet mee.
Bij het transport van de gegevens wordt in feite een kopie gemaakt. De hiervoor benodigde opslagruimte zorgt ook voor een sterke groei van de opslagsystemen, zowel qua aantallen als qua capaciteit. De IT-afdeling van grote bedrijven besteedt veel tijd aan het heen en weer halen van gegevens. Vaak is dat nodig om een logische ordening van de gegevens mogelijk te maken. Door dit fysiek te regelen, houdt men zich een hoop rompslomp van het lijf.
Wel is het zo, dat door al deze werkzaamheden de beschikbare bandbreedte van een onderneming zwaar wordt belast. Door aan de verplaatsing van gegevens een juiste prioriteit toe te kennen, kunnen problemen worden voorkomen. Een andere manier is meer een paardenmiddel: hierbij wordt ervoor gezorgd dat er zoveel bandbreedte is, dat iedere afdeling zijn eigen gang kan gaan. Dit laatste kost echter zeer veel geld. Er zullen niet veel bedrijven zijn die zo’n investering lukraak doen.
In het kader van de Storage Network Industry Association (Snia) werken de aanbieders van systemen voor opslagnetwerken met elkaar samen. Zodra ze gezamenlijk een bepaalde standaard hebben vastgesteld en deze ook is geaccepteerd door een standaardisatielichaam, is het weer ieder voor zich. Deze wijze van, zoals dat heet, pre-competitieve samenwerking werpt zijn vruchten al af. „De deelnemers hebben geleerd van het verleden. De komst van een standaard voor lokale netwerken (Lan’s) liet lang op zich wachten door het onderlinge gekissebis van de aanbieders”, zegt Larry Krantz, voorzitter van de Snia.
Krantz ziet de rol van zijn organisatie vooral als sturend. „We brengen de bedrijven bij elkaar, zetten een pad uit en zorgen er zo goed mogelijk voor dat iedereen dezelfde richting op werkt. Mocht er tijdens het werk naar voren komen dat we op een bepaald punt niet helemaal juist bezig zijn, dan kan dat door overleg worden rechtgetrokken. Niet pas na een paar maanden, maar eigenlijk al na een paar dagen”, aldus Krantz.
Een mooie stimulans voor de deelnemers aan het gezamenlijke project zijn de zogeheten Plugfests. Dit zijn bijeenkomsten, waar de aanbieders allemaal hun eigen apparatuur kunnen tonen, aangesloten op die van een collega.

Mike Dutch, directeur technologie bij Hitachi Data Systems en hoofd van de afdeling Disk Resource Management van Snia, verwoordt het zo: „We zullen eerst het ’loodgieterswerk’ voor elkaar moeten hebben. Met andere woorden: een diskeenheid van firma X past naadloos op een computer van firma Z dan wel een werkstation van aanbieder Y. Ook de kabels mogen van een willekeurig fabrikaat zijn. Als de maker ervan bij ons is aangesloten, mag je er op rekenen dat het allemaal past. Door uit te gaan van die gedachte zijn we er in geslaagd een universele koppeling tussen computer, transportmedium en opslagsystemen binnen een half jaar te maken. En dan bedoel ik ook echt van de tekeningenfase tot het eerste prototype.”

De markt voor Storage Area Networks kan worden verdeeld in drie groepen aanbieders. Dat zijn de makers van diskdrives en andere geheugeneenheden, de aanbieders van snelle netwerken en, niet te vergeten, de makers van software om al die hardware in het gareel te laten lopen.

Op het gebied van disks zijn er een paar grote aanbieders, met name IBM en EMC, die elkaar soms stevig in de haren zitten. Kleinere bedrijven kunnen daar het slachtoffer van worden, zoals in augustus vorig jaar bleek toen Data General werd overgenomen door EMC. Het ging laatstgenoemde vooral om de kennis op het gebied van Raid-systemen. Data General brengt deze op de markt onder de naam Clariion. Deze wat kleinere opslageenheden vormen een goede aanvulling op de zeer grote Symmetrix-kasten van EMC.

Toch zijn de aanbieders van hardware broederlijk naast elkaar te vinden op de ledenlijst van Snia, IBM, Amdahl, EMC, Compaq, Storagetek en HDS, ze zijn allemaal lid.
De tweede groep bestaat uit de aanbieders van snelle netwerken. Op dit gebied is er binnen het kader van Snia wat meer rumoer geweest. De diverse partijen konden het aanvankelijk niet echt eens worden over het te gebruiken netwerk dan wel het protocol daar op. De neuzen lijken nu echter allemaal dezelfde kant op te staan en wel in de richting van Fibre Channel. Dit is niet zozeer een netwerk als wel een protocol. Hoewel de naam doet vermoeden dat het protocol alleen is bedoeld voor glasvezelkabels, kan het evengoed worden gebruikt in combinatie met een koperen kabel.
Dit is een groot voordeel van dit protocol. Het stelt een bedrijf in staat een gemengde infrastructuur aan te leggen voor een SAN. De gedeelten van het netwerk die absoluut snel moeten zijn, kunnen worden aangelegd met glas. De segmenten waar snelheid niet zo’n grote rol speelt kunnen met het veel goedkopere koperdraad worden aangelegd.
Schijven en kabels vormen de basis van een SAN. De programmatuur moet ervoor zorgen dat de gegevens op de juiste manier over het netwerk worden geleid, maar ook dat ze veilig worden opgeborgen. Het mag natuurlijk niet zo zijn dat een storing ergens in het netwerk de oorzaak is van gegevensverlies.

De komst van het SAN betekent een gouden markt voor veel bedrijven, zo blijkt uit een rapport van IDC. In de jaren 1995 tot 1999 groeide de markt voor diskdrives bijvoorbeeld met gemiddeld 8,3 procent per jaar. Deze toch wel sterke groei werd veroorzaakt door het toenemende gebruik van data warehouses, andere toepassingen met een achterliggende grote database en Internet. In de komende jaren zal de vraag naar opslagsystemen (en dus disks) alleen maar sterker worden. Volgens IDC komt dit vooral door de SAN’s. Specifieke prognoses kunnen nog niet worden gemaakt, maar het bureau rekent in elk geval op een zogeheten ’double digit growth’. Met andere woorden: een jaarlijkse groei van minimaal 10 procent.
Het indirecte kanaal heeft het meest van de groei geprofiteerd, zo blijkt uit de cijfers van IDC. Dit segment kende de afgelopen vier jaar een groei van 7,2 miljard dollar, ofwel een jaarlijkse toename van 19,3 procent. De directe verkoop door de makers van de systemen groeide slechts met 1,6 procent per jaar. De komende jaren zullen de kansen voor het indirecte kanaal alleen maar groter worden, menen de onderzoekers. Zeker wanneer de diverse onderdelen van een SAN het etiket ’standaard’ krijgen opgeplakt en de koper dus niet gebonden is aan een bepaalde leverancier.
In de eerste jaren zullen de verkopers vooral terecht kunnen bij jonge en innovatieve bedrijven. Zij zullen snel besluiten tot de aanschaf en implementatie van een SAN. Meer traditioneel ingestelde ondernemingen zullen de kat nog geruime tijd uit de boom kijken, meent IDC. Wil een indirecte verkoper succes hebben, dan zal hij zich snel op de hoogte moeten stellen van de ontwikkelingen op de SAN-markt.
Het jaar 2000 wordt het jaar van het SAN
 
Lees het hele artikel
Je kunt dit artikel lezen nadat je bent ingelogd. Ben je nieuw bij AG Connect, registreer je dan gratis!

Registreren

  • Direct toegang tot AGConnect.nl
  • Dagelijks een AGConnect nieuwsbrief
  • 30 dagen onbeperkte toegang tot AGConnect.nl

Ben je abonnee, maar heb je nog geen account? Neem contact met ons op!